zaterdag 2 juli 2016

Nieuwe site

Lieve lezers,

Aangezien ik steeds meer problemen heb met deze site, heb ik besloten over te stappen. Voortaan kun je me vinden op weerzinwekkend.wordpress.com . Ik zal hier geen nieuwe berichten meer posten.

M.

woensdag 16 december 2015

Mijn woede is een wens

Je hebt geen idee hoe ik aan je denk, vandaag. Hoe vurig. Hoe de tranen in mijn kop kunnen springen (ja, je zou wel lachen als ik dat zo zei, zo zoals wij). Ik ga wel verder als het mag: hoe de tranen in mijn kop kunnen springen als ik denk aan hoe jij daar bent en ik hier. Het hoe. Aan hoe ik je onmogelijk bereiken kan. Hoe ik dat geprobeerd heb, maar staken moest. Maar vooral: hoe ik de pijn voel in mijn lijf - vanbinnen bij mijn hart, mijn buik, de organen diep verstopt - als ik denk aan hoe jíj je voelen moet. Als ik denk aan wat je zegt, aan wat je schreeuwt, aan hoe je kijkt, en hoe niemand naar je luisteren kan - omdat je het niet toe kan staan. Te ver weg. Te ver heen. De grootste pijn is wanneer ik me inleef. Wanneer ik jou probeer te zijn. Wanneer ik om me heen kijk vanuit jouw ogen... dát is niet te doen. Dát is wanneer ik breek. Ik kan veel hebben, ik kan buigen, echt, maar me voelen zoals jij, dat kan ik niet. Op te schrijven is het ook al niet. Lieve, líeve jij, wat ben je sterk. Het is dus maar dat ik aan je denk. Vurig. Woedend wensen, dat is wat ik doe voor jou. Ik kan mijn vuisten ballen tot mijn nagels in mijn handpalmen drukken, ik kan denken, hopen, bidden als ik vloek, wensen, schelden, maar ik weet het. Ik weet dat het niet aan mij is, maar aan de ellende van de tijd.

De tijd en ik, we hebben het niet zo op elkaar. Ik ben al vaker boos geweest op hem. De tijd laat dingen gebeuren die niet waar mogen zijn. De tijd haalt al het menselijke uit wat er is en wat er overblijft. De tijd die almaar zegt: dóórgaan, dóórgaan, terwijl je stoppen wilt, zo nu en dan. De tijd die je dwingt tot acceptatie, tot zijn tot wat er is, tot vergif, je reinste verdoemenis. De tijd die je dwingt te staan en blijven kijken -daarvan geniet!-, maar die je niets laat dóen. Dat heeft hij mij vaker geflikt. Nu ook weer, met jou. Je hebt geen idee hoe ik aan je denk. Hoe je door mijn hoofd schiet bij de dingen die ik doe. Hoe ik het ineens warm kan krijgen van de paniek die door mijn lichaam snelt, ineens: als ik het even niet meer weet. Hoe ik het vergeten was. Hoe ik hoop voor jou. Het vuur.

...

Ik heb geen idee of het is zoals het kan, zoals ik denk aan jou, want ik heb al lang geen jou aan jou en jij geen mij aan mij. Het is al lang geleden dat ik je zag. Ik zag je gaan. Wie je nu bent, dat weet ik niet, ik ken hem niet. Ik zie hem slechts, ik hoor hem aan, en ik hoor vooral veel óver hem. Dezelfde tijd, geschiedenis. Flarden van herinnering. En dan nu. Er is zoveel wat jou stukgemaakt heeft. Je bent kapot en voor wat het waard is: ik ook een beetje met je mee. Wél waar. De verhalen stapelen zich op. En weet je, nu ik niet naar je luisteren kan, niet naar jou, nu luister ik naar hen die verhalen over jou. Ze zijn niet om aan te horen, man. Ik wil ze de mond snoeren. Wat geef je ze veel stof, wat geef je ze veel stof.
Het is alsof ik samenzweer met de tijd als ik het zeg, het voelt als bedrog, verraad misschien, maar toch: hou vol, hou vol, hou vol. Vertrouw. Laat het gebeuren. Laat de tijd het met je doen. Ik zal naar je luisteren als het weer kan. Het moet weer komen, het zal. Ik heb een jou en ik heb jou. Mijn woede is een wens. Een wens van mij voor jou, een wens die branden zal.

...

zaterdag 12 december 2015

Cultuurshock

"Mevrouw, het is wel gek. Het voelt alsof de wereld ineens veel groter is." Hij propte de stapel boeken weer in zijn tas die hij eruit had gehaald om te vinden wat hij zocht: het boek waarvan hij wilde vragen of hij het op zijn leeslijst mocht zetten. "Ja...?" Ik ging op een tafeltje zitten. Achter zo'n zin leek me een verhaal te zitten. "Al die boeken, mevrouw, het zet me wel aan het denken..."

'Je kiest ook wel originele boeken,' zei ik, 'die niet iedereen op zijn lijst zet. Hoe kom je eigenlijk aan die boeken?' Intussen bladerde ik nog door het exemplaar dat hij me gegeven had om te beoordelen op geschiktheid voor de literatuurlijst. Ik snoof de muffe papiergeur op. "Uit de boekenkast van mijn vader," klonk het antwoord. "Ik hou van filosoferen, mevrouw." Het kwam er heel snel achteraan, alsof ik vooral niet in moest gaan op die boekenkast of zijn vader. Het gíng om het filosoferen. Ik moest lachen, deze jongen zat in de examenklas en zei tijdens de les nooit iets, zonder uitzondering. Ik hoorde nu pas voor het eerst goed hoe zijn stem klonk, terwijl ik hem al twee jaar op rij lesgaf.

Ik keek naar zijn gezicht terwijl hij praatte. Zijn baardgroei toonde de weg naar volwassenheid. De stoppels bedekten zijn gelaat. Ik constateerde dat hij er ouder uitzag dan hoe hij vorig jaar binnenkwam. Zijn ogen schoten van links naar rechts, gejaagd op zoek naar de juiste woorden die zich in zijn hoofd vormden, maar hij sprak rustig. "Ik vind het ook moeilijk om een duidelijke mening te hebben," zei hij, "er bestaat zoveel. Ik wil zoveel mogelijk kanten leren kennen. Zoveel mogelijk denkwijzes. Er bestaat ook niet echt één waarheid. Je kan uren begrijpend luisteren naar iemand, maar een paar uur later van alles ertegenin brengen. Misschien wíl ik ook niet één mening hebben." Ik werd schijnbaar willekeurig getrakteerd op deze overpeinzingen. "Weet u, ik luister wel eens gewoon een paar uur naar een uitzending van een filosoof. Dat vind ik geweldig," zei hij. Ik stelde me zijn overpeinzende gezicht voor terwijl hij met oordopjes in uren zat te luisteren. Ik stelde me voor hoe er in zijn brein allerlei radartjes aan het werk gingen en hoe bepaalde gebieden oplichtten. Levendig zag ik de hersenpan van deze jongen voor me.

"Maar het is ook wel lastig allemaal, mevrouw. Vanmiddag heb ik een gesprek met de decaan. Dat is dus tijdens uw les. Mag ik dan iets eerder weg?" Ik knikte en vroeg of hij het ging hebben over zijn studiekeuze na de havo.
"Ja, dat is het dus. Ik moet nu gaan kiezen wat ik hierna wil, maar ik heb zo'n moeite met keuzes maken. Ik weet het echt niet, mevrouw. Het is net als met die meningen waar ik het net over had. Hoe kun je nou één kiezen? Hoe kun je nou één mening hebben? Of één studie kiezen?" Hij keek op van zijn tas waar hij nog altijd in aan het rommelen was. "Ik heb ook nog nagedacht over wat u vorig jaar zei." Hij keek me nu aan. Ik was benieuwd waar ik het vorig jaar over had gehad. "Over generatie Y. En dat je aan de ene kant moet kiezen voor iets wat je léuk vindt, gewoon je interesses, je passie volgen en aan de andere kant dat je nu ook moet kijken naar het toekomstperspectief en of ergens werk in te vinden is. Dat dat twee tegenovergestelde denkrichtingen kunnen zijn. Dat zijn het ook echt in de maatschappij van nu, met de crisis en zo. U vertelde toen hoe u lerares bent geworden. We hadden toen dat artikel gelezen over generatie Y, met die documentaire." Blij verrast door de constatering dat er ten minste één leerling was die ook nog daadwerkelijk dingen onthield uit mijn lessen, luisterde ik verder. "Misschien wil ik helemaal nog niet kiezen. Zo ben ik ook op de havo gekomen, mevrouw. Op het vmbo wilden ze ook al dat ik koos. Daar dwingen ze je echt hoor. Ik moest me echt verdedigen als ik nog havo wilde doen. Ze willen je gewoon in een hoekje drukken en je moet aan het werk." Ik keek er blijkbaar ongelovig bij, want hij ging verder: "Ja, ze drillen je echt. En dan zijn er zo weinig keuzes. Ik ben echt veranderd op de havo, mevrouw. Het is hier zó anders."

'Wat is er dan zo anders?' vroeg ik. 'Wat heeft het met je gedaan?'
"Het is alsof ik uit de gevangenis ben gekomen," zei hij. Ik probeerde niet te lachen, want hij was bloedserieus in zijn vergelijking. "Ja," zei hij, "het is daar aan de andere kant (hij wees met zijn hoofd naar de overkant van de straat waar een schoolgebouw voor vmbo stond) echt een gevangenis." Ik keek naar het gebouw dat er zo van een afstandje vredig bij lag. Het schreeuwde mij toe: niets aan de hand hoor! "Er zijn daar iedere dag gevechten. En dan gaat iedereen er in zo'n kring omheen staan om aan te moedigen. Dat vinden ze gewoon leuk. Dat was niet zo mijn ding." Vechten leek me inderdaad niets voor hem. Eromheen staan al helemaal niet. "En die lessen zijn zo eenzijdig, alles is erop gericht om je een bepaalde richting in te duwen. Je moet aan het werk." De bel ging, ten teken dat de pauze was afgelopen. Ik wist dat mijn volgende klas ieder moment kon binnenstormen. Het leek alsof hij de bel niet hoorde, maar hij nam wel een adempauze. "De leraren doen er ook niks aan. Die worden daar ook geslagen. Ze zijn gewoon bang voor die leerlingen. Het is echt terreur. Een gevangenis. Een kleine wereld waar je niet uitkomt." 'En dan te bedenken dat jij alleen maar de straat bent overgestoken,' zei ik, terwijl ik van het tafeltje opsprong. De deur van het lokaal vloog open en de eerste leerlingen kwamen binnen. "Echt een cultuurshock," zei de jongen, "ik ben eruit gebroken en ik kan nu denken." In mijn hoofd klonk de begintune van Queens I want to break free. "Nou ja, tot vanmiddag, mevrouw!" en weg was hij.

Ik startte mijn volgende les met: "Ik had net een interessant gesprek, jongens. Wat vinden jullie..."


woensdag 21 oktober 2015

Rennen tegen de wereld

Nou ja, over dromen gesproken (die van 's nachts bedoel ik, niet de dromen van overdag die je bij je volle bewustzijn in alle helderheid vorm kan geven): vannacht rende ik tegen een wereldbol op die continu van vorm veranderde. Tja, in de categorie 'moet je ook eens gedaan hebben'.

Het begon heel prachtig. Ik keek uit over een grote groene grasweide, waar ook wilde bloemen in stonden en ik rende niet, ik vloog bijna, zweefde! Ik had het overzicht, ik zag de horizon waar ik naartoe kon gaan en ik ging. Ik maakte enthousiaste geluiden en strekte mijn armen om het vliegeffect kracht bij te zetten terwijl mijn voeten als vanzelf door de weide sprintten. Ik had mijn ogen open en ik zag alles aan me voorbij gaan. Soms passeerde ik groepjes mensen in het heuvelachtige landschap, maar mijn snelheid was te hoog om echt te zien wat ze deden. Ze stonden of zaten vaak in groepjes bij elkaar, praatten wat of picknickten. Sommigen keken op toen ik voorbij raasde, anderen niet. Soms passeerde ik ook een persoon alleen, een oude man op sloffen, die aan het wandelen was met een hond. Het was dat gevoel als op een zomerse dag in een groot stadspark, maar dan veel rustiger, zonder afbakeningen.

Na een tijdje rende ik niet meer rechtop, maar voelde ik me zo'n rat, muis of hamster in zo'n draaiwiel. Hoe heet zo'n ding? Een rad. Eigenlijk rende ik na verloop van tijd meer ín de aarde zoals in een rad, dan dat ik er vanbuiten tegenop klom of vanaf rende (mijn aanvankelijke gevoel). Gevangen in mijn rad bleef ik maar doorgaan, het rad draaiende houdend door mijn eigen voeten. Toen kwamen de stukken waar het donker was en waar ik geen gras meer zag, maar in de donkere aarde greep, verder voortbewegend op handen en voeten. Het was er steil en ik moest oppassen voor kuilen en gaten die mij lelijk zouden kunnen verwonden in mijn snelheid. Ze konden me zelfs tot stilstand brengen, daar was ik me voortdurend van bewust. Het waren hele oneffen stukken en ik had ineens een blinddoek voor. Op de tast moest ik verder. Er was niemand bij me, dus waarom ik de blinddoek niet gewoon afrukte, begrijp ik nog steeds niet, maar ik moest met mijn handen vooruit voelen en opzij wijken om mijn weg te vervolgen. Ik voelde me opgejaagd, maar het was ook spannend; ik moest en zou dit tot een goed einde brengen. Het putte me uit. Mijn handen waren zwart van het graaien en grijpen in het zand.

Toen zat ik ineens in een soort ziekenhuis. Ik weet niet hoe ik uit het rad gekomen ben. Ik was niet in het ziekenhuis als patiënt, maar ik observeerde en ik wachtte. Ik was op zoek naar wat ik daar deed. Ik zag de dokters bezig en ik liep er maar wat rond. Er was een hond die mij steeds weer vond. Ik dwaalde door het ziekenhuis, ging kamer in, kamer uit, trap op, trap af, gang in, gang uit en steeds als ik weer even ergens rustig zat -in een wachtkamer of in een behandelkamer bij een arts-, dan kwam die hond weer naar me toe. Dan aaide ik hem en praatte ertegen. Ook uitte ik naar de artsen toe mijn verwondering over het vermogen van de hond mij steeds terug te vinden. Ik vond het heel speciaal, maar niemand reageerde erop, en toen wist ik waarom ik in het ziekenhuis was. Ik was er voor de hond. Hij had medische zorg nodig! Er lag ineens een lichtblauw operatiedoek over zijn rug. Het was zichtbaar dat er iets met hem ging gebeuren. Ik keek naar zijn kop en zag dat hij oud was, met een jonge, hoopvolle blik. Hij bleef bij me. Ik wachtte met hem op wat er komen ging. Ik was gezien door de hond. Nu moest ik het waarmaken.

Toen ik wakker werd, keek ik even naar mijn handen, maar er zat geen zand aan.

maandag 19 oktober 2015

Hekomheind

De kinderen spelen in de stilte, hekomheind, en ik hoor ze denken. Ik hoor ze schoppen, ik hoor ze trappen, tegen een bal, en denken. Ik hoor ze denken: is dit het nou? Is dit nou waar ik goed voor ben? Ik zie ze spelen achter het bord verboden toegang en ik snap het wel. Ik hoor ze, luidkeels, vloekend, het hek verlaten, de straat opgaan. Klein zijn ze nog, maar ze ogen groot in hun zwarte jacks. Ze spelen, ze laten de bal op de rand van het trottoir terugkaatsen, vlak voor mijn raam in deze godverlaten, oude wanstaltige buurt met de seksshops om de hoek waar je de achteringang kan nemen voor je privacy. Dat staat aangeplakt aan de voorkant. De straat waar je een groot deel onder een viaduct doorloopt en waar je types tegenkomt waar je bang van wordt -zou kunnen zijn-, maar die misschien net zo bang zijn -zouden kunnen zijn- als jij. Je zou ze aan willen kijken om ze te peilen, maar dat kan niet, want als je de verkeerde aankijkt, kan het met je gedaan zijn.

Zo voel ik me in deze buurt, maar eenmaal binnen ben ik in een cocon, in het midden van deze stad. Hierbinnen sluit ik alles buiten en als ik naar buiten stap, doe ik dat voorzichtig. Mijn eerste stappen wankelen van de overgang. De kinderen kijken op. De grote jassen om hun kleine lijven. Ze zien mij keurig zijn en verwachten een preek, ik zie het in hun ogen. Ze verwachten dat ik ze vermanend toespreek, dat hun bal tegen mijn raam kan komen en dat dat niet de bedoeling is. Dat hun geschreeuw en gescheld mijn woonkamer binnendringt en dat ik daar niet van gediend ben, maar ik zeg het niet. Ik zeg niets van dit alles. Ik kijk het kind aan dat naar mij opkijkt, de bal even vasthoudt en ik zeg "hoi." Er verschijnt een glimlach op zijn gezicht en ik krijg een "hoi" terug. Hij wacht tot ik voorbij ben en gooit dan opnieuw. Om de hoek hoor ik dat ze verder praten in een taal die ik niet versta, maar het gaat niet over mij, zo veel hoor ik wel.

Ik zie mezelf lopen in een ruit die is beplakt met vuilniszakken en ik denk: misschien zie ik er niet keurig uit, ik weet niet wie ik ben, ik weet niet hoe ik oog. In mijn hoofd voelt het zo stil, dat alles vanbuiten dendert en langs mij schreeuwt. Mijn hoofd is in mijn lichaam als in een cocon en de wereld schreeuwt dat ik eruit moet komen. Ik loop een heel eind en mijn voeten doen zeer. Ik loop als een model op de catwalk door de vieze stad en ik vind haar prachtig, deze stad, om alles wat ik me herinner en wat hier was. Ik loop doelgericht, ik weet dat het zo overkomt, maar ik heb geen idee, want alles is veranderd. Ik volg gewoon de paden en de mensen en de stenen tot ik zie waar ik ben en ik voel me thuis. Ik luister naar het gepraat van mensen bij een stoplicht, ik volg twee oude mannetjes op sloffen met een hond, ik hoor een meisje - een studente naar ik schat - een vrouw de weg wijzen. Ze wil wel meelopen, maar de vrouw zegt dat dat niet hoeft, zo lukt het wel, en ik volg een jongeman die rookt en uitblaast in mijn pad. Als ik opzij stap om de geur te ontwijken, wijkt hij ook naar mijn kant, maar niet expres. Hij kijkt om en ziet me en ik lach en ik adem de vieze lucht dan maar in. Het is zoals het zijn moet. Hij versnelt zijn pas, als een schichtig hert voor de loop van een jachtgeweer. Ik zie de kinderen weer voorbij komen en ik hoor de bal. Het gestuiter van de bal voelt als een hartslag. Het hek omheint en het is de wereld in het klein. De straatlantaarn verlicht het stenen pad. Er komen meer kinderen bij die minder kind zijn, misschien niet eens. Ze praten met elkaar, ze drommen op. De voetbal klopt, de voetbal houdt niet op. Het leer kapot gespeeld, het leeft. Ik speelde ook, maar anders toch.

vrijdag 11 september 2015

Wildgroei

Er groeit onkruid in de tuin, op de plek waar ik een keurig plantenhoekje plande en verwaarloosde. Hij zei dat hij er wel eens pitjes neer had gegooid. Pitjes? Waarvan? vroeg ik me af. Dat wist hij niet, van besjes of ander eten. Zijn woorden. Het leek me dat hij niet heel bewust met zijn eten omging als hij niet eens wist wat hij at, maar dat kon ik hem niet kwalijk nemen, want ik ging ook niet overal bewust mee om. Neem mijn onschuldig tuintje. Waarschijnlijk gaan we zelfs met de mééste dingen onbewust om. Aan de ene kant gelukkig, want als je alles bewust laat binnen komen, hou je wellicht ook geen leven over. En onkruid is best mooi, wil ik maar zeggen. Weet je wat daar allemaal uit kan groeien? Het is groen en het blijft leven, toch al twee heel mooie eigenschappen. Het bedekt en het doet en het wildt. Wilden als werkwoord. Als leven dat wild is en wíl en leeft en gáát. Ik hou daarvan. Hij denkt nu alleen dat híj het onkruid gemaakt heeft en hij blijft benadrukken hoe mooi het is. Misschien vist hij naar complimenten. Ik beaam de pracht van het groene groeisel desondanks. Als het terecht is, kan ik best happen wanneer iemand vist, zeker als hij het is. Misschien wil hij ook zeggen dat zijn manier best moois brengt, beter dan mijn organisatievermogen het had bedacht. Misschien is het zijn manier om mij gerust te stellen. Er komt altijd wel iets uit, waaruit dan ook, waar je iets moois in kunt zien. Ik stel hem dan gerust terug door te doen of ik denk dat het groene groeisel inderdaad komt door het achteloos neergooien van wat voedselresten van zijn kant, zodat hij invloed kan voelen, terwijl ik denk dat dat dikke onzin is. Ik snap ook niet waarom je voedselresten in de tuin zou gooien op de plek waar een ander -ik!- net iets moois aan het aanleggen was. Ik vind dat eigenlijk niet heel meedenkend. Ik vind eigenlijk dat dat mijn plannen dwarsboomt (hoewel een echte boom utopisch is). Moet hem nog eens vragen waarom hij dat deed. Had hij intenties of was het zijn wilde inborst of komen die twee overeen?

Ik stond op de rand van de rots, tussen het onkruid en ik gleed, nog voor ik ging. Ik zat vast en bleef hangen, bungelde, herpakte, plaatste voeten en ging. Ik lachte en viste naar complimenten over mijn reactievermogen, want ik had toch met mijn armen mijn hoofd beschermd. Mijn armen zijn nu blauw, en het onkruid groen in mijn herinnering. Ik ga toch waar ik ging.

woensdag 12 augustus 2015

Conformeren en beweren

Ik zag hem in gedachten verzonken. Ik zag de waas van boven zijn hoofd komen en zijn gezicht bedekken, langzaam naar benee. En zo was hij weg en zag ik hem gaan. Hij haalde nu en dan zijn hand naar zijn hoofd om deze in de rimpels op zijn voorhoofd te zetten en onhoorbaar te zuchten in gezelschap. Hij had zich geconformeerd. Hier zat hij dan bij deze afspraak waar zij nu bij elkaar zaten, met zes. Het was eigenlijk ter ere van hem en zijn verdiensten, maar hij voelde zich opgelaten al zei hij van niet. Ik vroeg het gewoon. Ik vroeg hoe hij zich voelde en keek in zijn ogen terwijl hij zei: fijn, dat jullie er zijn. Ik geloofde hem niet, want zijn hele lichaam sprak hem tegen. Hij zat gespannen op het puntje van zijn stoel, zijn voeten wiebelden en zijn blik dwaalde af. De zuchten ontsnapten hem, hij kon ze niet controleren, en zijn hand ging maar naar zijn hoofd, zijn rimpels en zijn haar. Hij was zelfs niet bij het gesprek. Ik moest hem roepen, ik moest tot drie keer herhalen wat ik zei en hij kon spelen of hij doof was, maar ik wist dat hij kon horen als hij wou. De gedachten in zijn hoofd overstemden, de zorgen ook, de twijfel, de onzekerheid. Hij had zich overgegeven aan hun grillen. Hij was een meester in het spreken tegen zichzelf in en de wereld kocht het, maar ik accepteerde niet. Ik kende hem beter dan hij dacht, maar moeilijk was dat niet, want hij was een open boek, zo van opzij, zo nu ik lezen kon. Hij was een jongetje, zo van opzij, en hij was van mij. Ik zou zijn moeder willen zeggen dat ik op hem pas -ze was er immers ook voor mij en ze had het geprobeerd met hem - maar ze zou wel weten. Ik zou met hem willen praten, maar afschrikken deed ik niet. Ik liet hem zijn.

Ik dacht aan mijn eerste herinnering aan hem en ik denk dat het was toen in de keuken, ik stond nog in de gang, hij aan het fornuis. Hij keek naar de pannen voor zich en zei zijn naam. Hij zei zijn naam en ik fronste nog en keek. Het was een hele gekke naam en ik zag hem gaan.

vrijdag 24 juli 2015

Grijsgevecht

Zij was iemand van uitersten. Het was niet zwart of wit, maar het was zwart of álle kleuren van de regenboog, elkaar afwisselend. Het grote gapende gat van het niets of het onvermoeibare enthousiasme. En hij was dan het grijs. Constant, oppervlakkig, schijnbaar stabiel, maar ver weg. Onbenaderbaar. Onbereikbaar. Het was een combinatie die zo gegroeid was. Hij was zacht, maar werd steeds harder. Dat was zijn vechtlust, al leek het of alleen zij die bezat. Dan keek je niet goed. Bij hem was het de krampachtige noodzaak om in het grijs te blijven. Hij sloot zich af voor de uitersten, stoïcijns. Hij was het type dat kon negeren. Langer dan wie dan ook. Zo vocht hij. Op het moment dat ze dacht dat hij haar vergeten was, praatte hij weer. Tegen haar. Als haar kleuren waren bedaard. Nog vóór het zwart, nog net. Hij wilde haar ervoor behoeden, maar dat kon hij niet. Het zwart zou volgen, hoe dan ook. En daarom móest hij grijs blijven. Veranderen kon hij niet. Verandering stond voor de wisseling van zwart naar kleur, of van kleur naar zwart, waarbij hij zijn hart vasthield. Hij was er en hij zag het, maar hij keek er niet meer naar. Hij had al te veel gezien.

Als haar vechtlust de kop opstak, wilde ze al het zwart tegengaan en kon het niet kleurrijk genoeg zijn. Ze schilderde alles om haar heen, maar ze zag niet dat ze het daarmee juist zwart maakte. Het kón niet alle kleuren zijn, dat was te fel, te overweldigend, te overheersend, daar zou niemand tegen kunnen. Alle kleuren gemengd werden zo zwart als zwart maar kon zijn. Daarom zag hij in kleur alleen maar zwart. Hij prefereerde grijs. Daar bleef het bij. En je moest hem niet te veel vragen. Dan moest hij zijn kleurenkoffer openen. Dan kwam je te dichtbij. Zijn antwoorden bleven algemeen van aard. Diep filosofisch, maar eigenlijk aan de oppervlakte. Het ging niet over hem. Nooit echt. Duiken deed hij niet. Zwemmen kon hij niet. Aan de kant stond hij. En hij keek ernaar. Naar de diepte waar zij in viel. De herhaling kon niet uitblijven.



In de herhaling vocht ze tegen het grijs. Zo wilde ze niet worden, grijs. Zijn grijs als reactie op haar voelde als een dolksteek. Een dolksteek terwijl hij haar aankeek. Hij zag haar ogen en hij stak. Nee, zij zou nooit zo onverschillig grijs zijn. Ze wilde dat het vuur in haar kon ontvlammen, en ze wilde dat de tranen konden vloeien tot ze op waren. Ze wilde geraakt worden. Ze wilde niet dat het haar koud liet, zelfs niet dat het léék of het haar koud liet. Ze wilde voelen. Ze wilde zwemmen met haar hoofd boven water. Ze wilde duiken en weer boven komen. Tegelijk begreep ze zo verdomde goed, dat je soms over moest schakelen naar grijs. Om het vol te houden. Om erbij te kunnen blijven en ernaar te kijken. Om te zien, maar niets te kunnen. Niets dan er te zijn. Ze begreep het grijs. Te goed. Ze hield van grijs, want het was toch hij.

Maar wat dan met de kleurenpracht? Ze begreep zo goed, dat je soms wilde gooien met kleur, dat je ermee wilde rondsmijten om je heen. Dat je de klodders kleur overal achter wilde laten, als je de energie had. Dat je het rood en het geel op de gezichten van de mensen wilde tekenen, dat je het fel oranje wilde proeven, dat je blauw en groen en paars in de lucht wilde laten zweven, dat je roze om je heen wilde draperen. Dat je je voeten rood wilde schilderen, om stevig te staan en sterk te zijn. Dat je wilde gooien met kleuren, zo hard als je kon, tegen muren tegen deuren. Van woede en van blijdschap, allebei. Meer! Ze begreep dat je de kleuren kwijt moest. Kleuren die zingen vanuit je hart. Kleuren die je wilt delen, maar die stuiten op grijs en zwart. Kleuren die je wel zou willen opdringen aan de wereld. De wereld en de mensen, en aan hem.

Alleen het zwart, het zwart begreep ze niet, waarom. Nooit wilde ze naar het zwart. Het zwart dat kwam en ging, al bleef het soms te lang. Zo lang dat ze vocht voor grijs. Dat was wanneer ze zichzelf zag in hem. Dat was wanneer ze hem begreep, en bleef, gevangen zat, en niet meer bij de kleuren kon. Het zwart zoog de kleuren uit haar lijf. Ze moest gaan voor grijsgevecht, als het echt niet anders kon.

maandag 20 juli 2015

Goud

"Je hebt een gouden haar."
- Je weet toch dat ik van goud ben?
"Nee, maar echt goud. Heb je er iets op gespoten of zo?"
- Nee, dit is gewoon mijn haar.
"Ik zie er nog veel meer!"
- Wat?
"Gouden haren! Je bent van goud!"
- Goudblond heet dat. Ik heb het ook niet verzonnen.
"Het glinstert echt helemaal."
- Djiezes, heb je nog nooit eerder écht naar me gekeken of zo?
"Dit heb je niet altijd, hoor."
- Oh. Nou, eh.. bedankt?
"Zo bedoel ik het niet. Het is gewoon bijzonder, nu, vandaag!"
- Ik straal er ook echt bij, hè? Idioot.
"Je haar glinstert."
- En ik?
"Dit gaat toch over jou!"
- Je zegt alleen maar dingen over m'n uiterlijk.
"De glinstering komt van binnenuit, dat wéét je toch?"
- Waarom zeg je dat dan niet?
"Laat maar."

(...)

- Jij hebt echt veel grijze haren. Ik zie er steeds meer.
"Hmhm."
- Een deel van je hoofd is gewoon al helemaal grijs.
"Mannen worden mooier naarmate ze ouder worden."
- Je wordt ook kaal.
"Ik heb het ook zwaar met jou. Dan versnelt dat proces."
- Oh, dus nu is het mijn schuld?
"Daar komt het wel op neer, ja."

(...)

- Vrouwen worden níet mooier naarmate ze ouder worden, hè?
"Nee."
- Ik heb mijn beste tijd al gehad.
"Ik denk het ook."