zaterdag 2 juli 2016

Nieuwe site

Lieve lezers,

Aangezien ik steeds meer problemen heb met deze site, heb ik besloten over te stappen. Voortaan kun je me vinden op weerzinwekkend.wordpress.com . Ik zal hier geen nieuwe berichten meer posten.

M.

zaterdag 30 april 2016

Bloemen

- "Ik kan wel een bloemenwinkel beginnen. Kijk hoe mooi ik dit weer bij elkaar heb gezet."
'Hmhm'
- "Mooi hè?"
'Hmmm'
- "MOOI HE?!"
'Huh, wat?'
- "Hoe ik dit bij elkaar heb gezocht. Kijk, deze bloemen. In deze vaas."
'Oh ja. Leuk.'
- "Dit heb ik niet zo gekocht hè? Dit hoort niet bij elkaar. Dat heb ik zo gemaakt."
'Ja, leuk ja.'
- "Ik vind het echt heel mooi. Ik word er echt blij van."
'Ja.'
- "Jij niet?"
'Ja, jezus, ik zei toch hoe mooi? Je kunt dat echt mooi ja. Begin maar lekker een bloemenwinkel.'
- "Ik krijg niet het gevoel dat je er iets van meent."
'Ik krijg de kans niet om iets te menen. Je gaat me veel te snel.'
- "Te snel?"
'Ja.'
- "Wat doe ik te snel?"
'Weet ik het. Alles. Wat je verwacht. Je verwacht te veel.'
- "Ik verwacht helemaal niks. Het probleem is dat dat terecht is. Want je reageert helemaal niet. Ik stort hier m'n hart uit over iets waar ik blij van word. Ik spreek met passie in mijn ogen en jij ziet het niet eens."
'Ja, túúrlijk. Best joh. Het zal wel.'
- "Doe niet zo onverschillig. Waarom interesseert het je niet?!"
'Ik doe niet onverschillig. Ik ben boos. Zie je dat niet? Kijk. Kijk naar mijn gezicht. Boosheid.'
- "Hoezo ben je nou weer boos?"
...

'Ik denk dat het wel echt een goede hobby voor je is, ja. Bloemschikken.'
- "Ja hè? Ja, ik denk het ook wel. Niet een beetje oudewijvenachtig?"
'Waarom? Megan doet het toch ook?'
- "Mégan? Wie is dat?"
'Die is ook niet oud. Van die bloemenwinkel hier.'
- "Wie. Is. Megan.?"
'Een hele vlotte meid hoor. Jonger dan jij. Bloemschikken kan dus best.'
- "Ik háát bloemen. En hoezo ken jij haar naam?"
'Dat staat op de gevel. Zo heet die záák.
Megans bloemen...'



zondag 17 januari 2016

Van het slot

...
Ping
Pong
Ping
Pong
...

Hypnotiserend was het, om dat balletje tussen ons heen en weer te zien - maar vooral horen - gaan. Het leek alsof jij bijna niet bewoog met elke slag - je hartslag mocht niet te hoog worden, terwijl ik me in het zweet werkte. "Heb je het niet warm?" vroeg ik, terwijl ik mijn vest aan de kant gooide. Je reageerde niet. Ik stoorde je in je spel dat bloedserieus was. Stoppen deed ik niet. We hielden het balletje over de groene vlakken heen en weer gaan. We begonnen op de campingmanier, omdat jij hier toch kampeerde - soort van - maar algauw durfden we verder te gaan. Ik zocht alle hoeken op, ver en dichtbij. Jouw armen waren lang. Ik keek niet alleen naar het balletje, maar ook naar jou. Ik kon het me veroorloven. Je vertrok geen spier - meestal. Ik bejubelde je in je spel, in je uithoudingsvermogen. Ik complimenteerde je. Ik wilde je goed laten voelen - béter op z'n minst. Je reageerde niet. Ik wist niet of je me hoorde. Ik wist in ieder geval wat ik zag. Het was goed. Ik hoopte dat het niet stopte. Dat deed het niet. Je kon het aan. Ik was bang dat er anderen kwamen, anderen die ons deden stoppen, naar de klok zouden kijken, maar dat deden ze niet. Ze bleven zwijgen. Het lag aan ons, aan jou, aan mij. Door het schelden was je stil.

...
Ping
Pong
Ping
Pong
...

Achter jou de lange gang. De vele deuren. Jouw naam op één ervan.
Je liet het balletje niet de gang in stuiteren. Altijd was je er op tijd.

Toen wachtte ik tot de deur weer openging - gemaakt werd - en ik jou verliet.
Het slot.

zondag 20 december 2015

De permissie van de nacht

Het verkeerslicht staat 's nachts altijd op groen. Het is de permissie van de nacht. 's Nachts kun je doorgaan, 's nachts mag je doorgaan. Het palet aan mogelijkheden biedt rust. De nacht is extra tijd voor wie het aankan. Soms pik ik van de vroege ochtend, die nog hoort bij het nachtgevoel, wat mee. Dan kijk ik uit het raam en staar ik naar dat verkeerslicht. Het is naast de lantaarnpalen verderop het enige licht dat ik zie. Net op het moment dat ik denk dat de tijd en het verlaten kruispunt met het groene verkeerslicht een bron van gemiste kansen zijn, komen er vanuit het niets -tegelijk- drie voertuigen aan uit verschillende richtingen. Ik zie de lichten op oranje springen en op rood. Het is gebeurd. Just like that. De magie is verdwenen. Er gelden weer regels en wetten die niemand in twijfel trekt. De dageraad is daar. Men komt in beweging. Men: de anonieme massa, de mensheid.

Ik rek het moment nog even door in de verte te kijken, waar kale boomtoppen aan de horizon een patroon vormen tegen de steeds lichter wordende blauwgrijze nachtlucht. En dichter bij me zie ik dat de contouren van de spullen in de kamer aan herkenbaarheid winnen. De uitdaging begint weer, als vanouds. Je staande houden in de dag, als alles gewoon is, is nog niet zo eenvoudig als in de nacht. Er kan ineens veel minder. De dingen in je hoofd komen uit een andere tijd. De lantaarnpalen die je gedachten bijschenen springen uit. Lichtblauw de lucht met een roze sliert weemoed. Groen het geheel van bomen in de eerste laag eronder. Helder de wegen, de paden. Uitgestippeld als een dicterende machine. Ineens gaat het snel.

woensdag 16 december 2015

Mijn woede is een wens

Je hebt geen idee hoe ik aan je denk, vandaag. Hoe vurig. Hoe de tranen in mijn kop kunnen springen (ja, je zou wel lachen als ik dat zo zei, zo zoals wij). Ik ga wel verder als het mag: hoe de tranen in mijn kop kunnen springen als ik denk aan hoe jij daar bent en ik hier. Het hoe. Aan hoe ik je onmogelijk bereiken kan. Hoe ik dat geprobeerd heb, maar staken moest. Maar vooral: hoe ik de pijn voel in mijn lijf - vanbinnen bij mijn hart, mijn buik, de organen diep verstopt - als ik denk aan hoe jíj je voelen moet. Als ik denk aan wat je zegt, aan wat je schreeuwt, aan hoe je kijkt, en hoe niemand naar je luisteren kan - omdat je het niet toe kan staan. Te ver weg. Te ver heen. De grootste pijn is wanneer ik me inleef. Wanneer ik jou probeer te zijn. Wanneer ik om me heen kijk vanuit jouw ogen... dát is niet te doen. Dát is wanneer ik breek. Ik kan veel hebben, ik kan buigen, echt, maar me voelen zoals jij, dat kan ik niet. Op te schrijven is het ook al niet. Lieve, líeve jij, wat ben je sterk. Het is dus maar dat ik aan je denk. Vurig. Woedend wensen, dat is wat ik doe voor jou. Ik kan mijn vuisten ballen tot mijn nagels in mijn handpalmen drukken, ik kan denken, hopen, bidden als ik vloek, wensen, schelden, maar ik weet het. Ik weet dat het niet aan mij is, maar aan de ellende van de tijd.

De tijd en ik, we hebben het niet zo op elkaar. Ik ben al vaker boos geweest op hem. De tijd laat dingen gebeuren die niet waar mogen zijn. De tijd haalt al het menselijke uit wat er is en wat er overblijft. De tijd die almaar zegt: dóórgaan, dóórgaan, terwijl je stoppen wilt, zo nu en dan. De tijd die je dwingt tot acceptatie, tot zijn tot wat er is, tot vergif, je reinste verdoemenis. De tijd die je dwingt te staan en blijven kijken -daarvan geniet!-, maar die je niets laat dóen. Dat heeft hij mij vaker geflikt. Nu ook weer, met jou. Je hebt geen idee hoe ik aan je denk. Hoe je door mijn hoofd schiet bij de dingen die ik doe. Hoe ik het ineens warm kan krijgen van de paniek die door mijn lichaam snelt, ineens: als ik het even niet meer weet. Hoe ik het vergeten was. Hoe ik hoop voor jou. Het vuur.

...

Ik heb geen idee of het is zoals het kan, zoals ik denk aan jou, want ik heb al lang geen jou aan jou en jij geen mij aan mij. Het is al lang geleden dat ik je zag. Ik zag je gaan. Wie je nu bent, dat weet ik niet, ik ken hem niet. Ik zie hem slechts, ik hoor hem aan, en ik hoor vooral veel óver hem. Dezelfde tijd, geschiedenis. Flarden van herinnering. En dan nu. Er is zoveel wat jou stukgemaakt heeft. Je bent kapot en voor wat het waard is: ik ook een beetje met je mee. Wél waar. De verhalen stapelen zich op. En weet je, nu ik niet naar je luisteren kan, niet naar jou, nu luister ik naar hen die verhalen over jou. Ze zijn niet om aan te horen, man. Ik wil ze de mond snoeren. Wat geef je ze veel stof, wat geef je ze veel stof.
Het is alsof ik samenzweer met de tijd als ik het zeg, het voelt als bedrog, verraad misschien, maar toch: hou vol, hou vol, hou vol. Vertrouw. Laat het gebeuren. Laat de tijd het met je doen. Ik zal naar je luisteren als het weer kan. Het moet weer komen, het zal. Ik heb een jou en ik heb jou. Mijn woede is een wens. Een wens van mij voor jou, een wens die branden zal.

...

zaterdag 12 december 2015

Cultuurshock

"Mevrouw, het is wel gek. Het voelt alsof de wereld ineens veel groter is." Hij propte de stapel boeken weer in zijn tas die hij eruit had gehaald om te vinden wat hij zocht: het boek waarvan hij wilde vragen of hij het op zijn leeslijst mocht zetten. "Ja...?" Ik ging op een tafeltje zitten. Achter zo'n zin leek me een verhaal te zitten. "Al die boeken, mevrouw, het zet me wel aan het denken..."

'Je kiest ook wel originele boeken,' zei ik, 'die niet iedereen op zijn lijst zet. Hoe kom je eigenlijk aan die boeken?' Intussen bladerde ik nog door het exemplaar dat hij me gegeven had om te beoordelen op geschiktheid voor de literatuurlijst. Ik snoof de muffe papiergeur op. "Uit de boekenkast van mijn vader," klonk het antwoord. "Ik hou van filosoferen, mevrouw." Het kwam er heel snel achteraan, alsof ik vooral niet in moest gaan op die boekenkast of zijn vader. Het gíng om het filosoferen. Ik moest lachen, deze jongen zat in de examenklas en zei tijdens de les nooit iets, zonder uitzondering. Ik hoorde nu pas voor het eerst goed hoe zijn stem klonk, terwijl ik hem al twee jaar op rij lesgaf.

Ik keek naar zijn gezicht terwijl hij praatte. Zijn baardgroei toonde de weg naar volwassenheid. De stoppels bedekten zijn gelaat. Ik constateerde dat hij er ouder uitzag dan hoe hij vorig jaar binnenkwam. Zijn ogen schoten van links naar rechts, gejaagd op zoek naar de juiste woorden die zich in zijn hoofd vormden, maar hij sprak rustig. "Ik vind het ook moeilijk om een duidelijke mening te hebben," zei hij, "er bestaat zoveel. Ik wil zoveel mogelijk kanten leren kennen. Zoveel mogelijk denkwijzes. Er bestaat ook niet echt één waarheid. Je kan uren begrijpend luisteren naar iemand, maar een paar uur later van alles ertegenin brengen. Misschien wíl ik ook niet één mening hebben." Ik werd schijnbaar willekeurig getrakteerd op deze overpeinzingen. "Weet u, ik luister wel eens gewoon een paar uur naar een uitzending van een filosoof. Dat vind ik geweldig," zei hij. Ik stelde me zijn overpeinzende gezicht voor terwijl hij met oordopjes in uren zat te luisteren. Ik stelde me voor hoe er in zijn brein allerlei radartjes aan het werk gingen en hoe bepaalde gebieden oplichtten. Levendig zag ik de hersenpan van deze jongen voor me.

"Maar het is ook wel lastig allemaal, mevrouw. Vanmiddag heb ik een gesprek met de decaan. Dat is dus tijdens uw les. Mag ik dan iets eerder weg?" Ik knikte en vroeg of hij het ging hebben over zijn studiekeuze na de havo.
"Ja, dat is het dus. Ik moet nu gaan kiezen wat ik hierna wil, maar ik heb zo'n moeite met keuzes maken. Ik weet het echt niet, mevrouw. Het is net als met die meningen waar ik het net over had. Hoe kun je nou één kiezen? Hoe kun je nou één mening hebben? Of één studie kiezen?" Hij keek op van zijn tas waar hij nog altijd in aan het rommelen was. "Ik heb ook nog nagedacht over wat u vorig jaar zei." Hij keek me nu aan. Ik was benieuwd waar ik het vorig jaar over had gehad. "Over generatie Y. En dat je aan de ene kant moet kiezen voor iets wat je léuk vindt, gewoon je interesses, je passie volgen en aan de andere kant dat je nu ook moet kijken naar het toekomstperspectief en of ergens werk in te vinden is. Dat dat twee tegenovergestelde denkrichtingen kunnen zijn. Dat zijn het ook echt in de maatschappij van nu, met de crisis en zo. U vertelde toen hoe u lerares bent geworden. We hadden toen dat artikel gelezen over generatie Y, met die documentaire." Blij verrast door de constatering dat er ten minste één leerling was die ook nog daadwerkelijk dingen onthield uit mijn lessen, luisterde ik verder. "Misschien wil ik helemaal nog niet kiezen. Zo ben ik ook op de havo gekomen, mevrouw. Op het vmbo wilden ze ook al dat ik koos. Daar dwingen ze je echt hoor. Ik moest me echt verdedigen als ik nog havo wilde doen. Ze willen je gewoon in een hoekje drukken en je moet aan het werk." Ik keek er blijkbaar ongelovig bij, want hij ging verder: "Ja, ze drillen je echt. En dan zijn er zo weinig keuzes. Ik ben echt veranderd op de havo, mevrouw. Het is hier zó anders."

'Wat is er dan zo anders?' vroeg ik. 'Wat heeft het met je gedaan?'
"Het is alsof ik uit de gevangenis ben gekomen," zei hij. Ik probeerde niet te lachen, want hij was bloedserieus in zijn vergelijking. "Ja," zei hij, "het is daar aan de andere kant (hij wees met zijn hoofd naar de overkant van de straat waar een schoolgebouw voor vmbo stond) echt een gevangenis." Ik keek naar het gebouw dat er zo van een afstandje vredig bij lag. Het schreeuwde mij toe: niets aan de hand hoor! "Er zijn daar iedere dag gevechten. En dan gaat iedereen er in zo'n kring omheen staan om aan te moedigen. Dat vinden ze gewoon leuk. Dat was niet zo mijn ding." Vechten leek me inderdaad niets voor hem. Eromheen staan al helemaal niet. "En die lessen zijn zo eenzijdig, alles is erop gericht om je een bepaalde richting in te duwen. Je moet aan het werk." De bel ging, ten teken dat de pauze was afgelopen. Ik wist dat mijn volgende klas ieder moment kon binnenstormen. Het leek alsof hij de bel niet hoorde, maar hij nam wel een adempauze. "De leraren doen er ook niks aan. Die worden daar ook geslagen. Ze zijn gewoon bang voor die leerlingen. Het is echt terreur. Een gevangenis. Een kleine wereld waar je niet uitkomt." 'En dan te bedenken dat jij alleen maar de straat bent overgestoken,' zei ik, terwijl ik van het tafeltje opsprong. De deur van het lokaal vloog open en de eerste leerlingen kwamen binnen. "Echt een cultuurshock," zei de jongen, "ik ben eruit gebroken en ik kan nu denken." In mijn hoofd klonk de begintune van Queens I want to break free. "Nou ja, tot vanmiddag, mevrouw!" en weg was hij.

Ik startte mijn volgende les met: "Ik had net een interessant gesprek, jongens. Wat vinden jullie..."


woensdag 9 december 2015

Boos

"Ben je wel eens boos?"
Natuurlijk was ik wel eens boos. Iedereen is toch wel eens boos?
'Ik ben niet zo snel boos,' zei ik. Het was best apart dat ik dat zei, op dit punt in het gesprek. Dat hoorde ik ook wel.

"Kun je wel goed boos worden?" zei hij toen. "Schreeuw je wel eens? Sla je wel eens met deuren? Scheld je wel eens iemand helemaal verrot?" Ik geloofde niet dat dat ervoor nodig was om boos te zijn. 'Nee,' zei ik. 'Nee, dat doe ik eigenlijk nooit.'

"Thuis ook niet?" vroeg hij. "Schreeuw je nooit tegen je partner?"
Verdomme, moest ik nou van hem gaan schreeuwen, of zo? 'Nee,' zei ik. 'Nee, ik schreeuw niet als ik boos ben. Moet dat dan?'

"Het kan soms wel lekker zijn," zei hij. Ik stelde me hem schreeuwend voor, thuis. Die nacht droomde ik over hem. Hij kwam schreeuwend en dreigend op me af. Hij had een bijl in zijn handen en zijn ogen spuwden vuur. Schreeuwend werd ik wakker.

De volgende dag lachte hij me vriendelijk toe, toen ik hem tegenkwam. Ik keek weg.

"Wat doe je dan wel als je boos bent?" vroeg hij de volgende keer. Ineens zat ik te janken. "Je voelt je zwak als je boos bent, hè?" ging hij door. Nou, inderdaad. En boos. Boos op mezelf. Ik vond mezelf belachelijk, hoe ik hier zat. Ik had hem ook liever de huid vol gescholden dan dat ik me hier klein zat te maken. Terwijl hij me bleef aankijken, voelde ik een waas van apathie over me heen komen.

"Dat zien andere mensen ook," zei hij. "En daar heb jij nu last van." Ik keek hem uitdrukkingsloos aan. "Jouw buitenkant vertelt iets anders dan jouw binnenkant." Er reed een auto voorbij. Ik volgde hem tot hij uit het zicht verdwenen was. Toen kwam er een fietser de hoek om, vlak voor het raam langs. "Waarom uit je je niet?"

'Waarom ik me niet uít?!' vroeg ik. Mijn stem sloeg over. Natuurlijk. Zelfs dát kon ik er niet normaal uit krijgen. 'Omdat ik het belachelijk vind hoe mensen zich uiten! Omdat ik schreeuwen het domste vind wat je kan doen. Omdat mensen zich druk maken om de grootste onzin. Omdat ze met geschreeuw hun aandacht en hun zin opeisen. Omdat dat altijd - altijd -  de sfeer verpest. Omdat ik er niet tegen kan: geschreeuw. Omdat ik dan verdwijn.' Ik wist zelf ook niet precies wat ik bedoelde.

"Is er wel eens naar je geluisterd toen je boos was?" vroeg hij.
'Als ik boos ben, komt dat tóch niet over,' zei ik, boos.

Hij herhaalde zijn vraag. "Is er wel eens naar je geluisterd toen je boos was?"

"Ik zie wel dat je boos bent," zei hij, toen ik niet reageerde. "Je staat het jezelf niet toe boos te zijn. Waarom zou je niet boos mogen zijn?"
'Ik word niet boos op jou, hoor, nu, als je dat soms probeert,' zei ik.

Hij moest lachen. Ik ook.

"Je broosheid breekt je nog eens op." Ik weet niet zeker of hij dat echt zei of dat ik dat zelf bedacht toen ik wegliep.

zondag 6 december 2015

Uitvouwen

Toen ik me omdraaide, na de les, net het bord had schoongeveegd, stond ze daar. Het kleine, rustige, onopvallende brugklasmeisje. Haar pony viel half voor haar ogen. Ze streek haar haar achter haar oor en in dezelfde beweging haalde ze een opgevouwen briefje uit haar broekzak. Het was zo vaak mogelijk dubbelgevouwen tot verder vouwen niet meer mogelijk was. Krampachtig hield ze het in haar hand omklemd, terwijl ze begon in te leiden dat ik het zo zou krijgen. "Mevrouw...?" Ze wiebelde op  haar tenen. Ik schrok toen ik me omdraaide, want ik had niet door dat er nog iemand in het lokaal was. Ik hoorde slechts rumoer vanaf de gang, de deur stond nog open. Ik richtte me tot het meisje. Ze sprak zacht, maar kon nu eindelijk zeggen wat ze al de hele ochtend in haar hoofd gerepeteerd had. "Ik heb een briefje voor u om iets uit te leggen. Wilt u dat straks lezen?" Gauw opende ze haar hand om het opgevouwen briefje te tonen. Het lag in haar hand als een sieraad in een chique doosje. Ze keek naar de grond. Ik pakte het briefje. "Natuurlijk," zei ik. Toen ze voorzichtig omhoog gluurde door haar pony, zag ik dat haar ogen vochtig waren. Ze had al haar moed verzameld om dit te vragen. Ik keek van het meisje naar het opgevouwen briefje dat nu in mijn hand lag. "Wil je niet dat ik het nu lees, waar je bij bent?" vroeg ik, "dat we erover kunnen praten?" Ze schudde heftig nee. "Liever straks?" vroeg ik. Ze leek opgelucht adem te halen. "Ja, beter straks," zei ze. "Dat is goed," zei ik. "Ik zal het straks lezen als je weg bent." Vlug trippelde ze het lokaal uit, de gang in, de drukte in, haar klas achterna naar de volgende les.
Ik sloot de deur van het lokaal en vouwde het briefje open. Nog voor ik ging zitten, las ik wat ze geschreven had. Mijn naam erboven en toen woorden die zorgen baarden. Woorden die onthulden hoe ze zich voelde. Woorden die schreeuwden om hulp. Woorden die schreeuwden om gelezen te worden. Onderaan dat zinnetje dat maakte dat ik wist wat te doen: 'als u meer wilt weten, mag u me erop aanspreken.' 

Het uur daarop sprak ik met haar. Ik haalde haar uit haar les. Ik hoefde niet veel te doen. Luisteren, kijken. Haar tranen drupten rechtstreeks uit haar ogen op de tafel voor haar. Het was alsof ze de weg die ze te gaan hadden, oversloegen. Ik zat naast haar en keek van opzij naar haar. Haar wangen bleven droog. Het was alsof de tranen met een oerkracht uit haar ogen sprongen, dringend. Het was de onmacht. De eenzaamheid. Die sloegen een pad over, omdat ze haast hadden. Ze praatte en ze praatte. Ik luisterde en het gevoel overviel me dat ik dit al eerder had gehoord. Ik luisterde naar mijn eigen verhaal en ik was zo trots op haar dat zij het kon verwoorden op haar leeftijd. Ik was zo trots dat ze een briefje had geschreven, zorgvuldig had gevouwen en overhandigd. Ik was zo trots en ik wist zó zeker dat ze het wel zou redden. De kracht in die verscholen ogen. 
Daarna spraken we over verhalen. Ze schreef graag, ze schreef verhalen. Ze bedacht namen voor haar personages, plots, gebeurtenissen, grappen. Ik vroeg door. Ze lachte. En ineens zag ik dat de tranen een andere weg aflegden. Ze ontsnapten nu langzaam uit haar ooghoeken en lieten een spoor achter op haar wangen, eindigden bij haar mondhoeken, die omhoog krulden. "Laat je me binnenkort eens iets lezen?" vroeg ik. Dat zou ze doen. "Wilt u dat echt?" 

Ik ben benieuwd hoe vaak gevouwen ik het aangeleverd krijg. 

woensdag 21 oktober 2015

Rennen tegen de wereld

Nou ja, over dromen gesproken (die van 's nachts bedoel ik, niet de dromen van overdag die je bij je volle bewustzijn in alle helderheid vorm kan geven): vannacht rende ik tegen een wereldbol op die continu van vorm veranderde. Tja, in de categorie 'moet je ook eens gedaan hebben'.

Het begon heel prachtig. Ik keek uit over een grote groene grasweide, waar ook wilde bloemen in stonden en ik rende niet, ik vloog bijna, zweefde! Ik had het overzicht, ik zag de horizon waar ik naartoe kon gaan en ik ging. Ik maakte enthousiaste geluiden en strekte mijn armen om het vliegeffect kracht bij te zetten terwijl mijn voeten als vanzelf door de weide sprintten. Ik had mijn ogen open en ik zag alles aan me voorbij gaan. Soms passeerde ik groepjes mensen in het heuvelachtige landschap, maar mijn snelheid was te hoog om echt te zien wat ze deden. Ze stonden of zaten vaak in groepjes bij elkaar, praatten wat of picknickten. Sommigen keken op toen ik voorbij raasde, anderen niet. Soms passeerde ik ook een persoon alleen, een oude man op sloffen, die aan het wandelen was met een hond. Het was dat gevoel als op een zomerse dag in een groot stadspark, maar dan veel rustiger, zonder afbakeningen.

Na een tijdje rende ik niet meer rechtop, maar voelde ik me zo'n rat, muis of hamster in zo'n draaiwiel. Hoe heet zo'n ding? Een rad. Eigenlijk rende ik na verloop van tijd meer ín de aarde zoals in een rad, dan dat ik er vanbuiten tegenop klom of vanaf rende (mijn aanvankelijke gevoel). Gevangen in mijn rad bleef ik maar doorgaan, het rad draaiende houdend door mijn eigen voeten. Toen kwamen de stukken waar het donker was en waar ik geen gras meer zag, maar in de donkere aarde greep, verder voortbewegend op handen en voeten. Het was er steil en ik moest oppassen voor kuilen en gaten die mij lelijk zouden kunnen verwonden in mijn snelheid. Ze konden me zelfs tot stilstand brengen, daar was ik me voortdurend van bewust. Het waren hele oneffen stukken en ik had ineens een blinddoek voor. Op de tast moest ik verder. Er was niemand bij me, dus waarom ik de blinddoek niet gewoon afrukte, begrijp ik nog steeds niet, maar ik moest met mijn handen vooruit voelen en opzij wijken om mijn weg te vervolgen. Ik voelde me opgejaagd, maar het was ook spannend; ik moest en zou dit tot een goed einde brengen. Het putte me uit. Mijn handen waren zwart van het graaien en grijpen in het zand.

Toen zat ik ineens in een soort ziekenhuis. Ik weet niet hoe ik uit het rad gekomen ben. Ik was niet in het ziekenhuis als patiënt, maar ik observeerde en ik wachtte. Ik was op zoek naar wat ik daar deed. Ik zag de dokters bezig en ik liep er maar wat rond. Er was een hond die mij steeds weer vond. Ik dwaalde door het ziekenhuis, ging kamer in, kamer uit, trap op, trap af, gang in, gang uit en steeds als ik weer even ergens rustig zat -in een wachtkamer of in een behandelkamer bij een arts-, dan kwam die hond weer naar me toe. Dan aaide ik hem en praatte ertegen. Ook uitte ik naar de artsen toe mijn verwondering over het vermogen van de hond mij steeds terug te vinden. Ik vond het heel speciaal, maar niemand reageerde erop, en toen wist ik waarom ik in het ziekenhuis was. Ik was er voor de hond. Hij had medische zorg nodig! Er lag ineens een lichtblauw operatiedoek over zijn rug. Het was zichtbaar dat er iets met hem ging gebeuren. Ik keek naar zijn kop en zag dat hij oud was, met een jonge, hoopvolle blik. Hij bleef bij me. Ik wachtte met hem op wat er komen ging. Ik was gezien door de hond. Nu moest ik het waarmaken.

Toen ik wakker werd, keek ik even naar mijn handen, maar er zat geen zand aan.