dinsdag 26 februari 2013

De dingen; de vondsten

“Wat denk je nu?”

‘Niks.’

“Wel.”

Het was even stil.

‘Ik dacht eigenlijk dat aanraking van het gezicht één van de liefste aanrakingen is.’

Ze streelde met een paar vingers door zijn baard terwijl hij dat zei. Ze hield er even mee op toen ze de woorden op zich in liet werken. Ze ging weer verder toen ze besloot dat ze het ermee eens was. Haar hoofd lag op zijn borst. “Ja, je hebt gelijk.” Ze was blij dat hij dat vond, het gaf iets van zijn aard weer waar ze zo van hield. Hij was opmerkzaam, gevoelig, maar vooral rationeel. Hij was het die zulke dingen bedacht en ze naar het bewustzijn bracht door ze onder woorden te brengen. Zíj moest hem de dingen – de vondsten -  laten uitspreken, want anders deed hij dat niet. Ze zag aan hem wanneer het kon. Ze zag aan hem wanneer hij zou beginnen met praten als ze ernaar vroeg. En wanneer niet.  

Wanneer zíj begon met praten – over échte dingen – dan had hij dat al van mijlenver aan zien komen. Ze had een lange aanlooptijd waarin alles er al op wees dat ze zou gaan storten. Eruit, haar hart. Hij zou luisteren en bevestigen hoe erg alles was – want dat was het, altijd. Daarna zou hij zeggen dat ze sterk was en dat ze dat morgen weer zou voelen. Dan lachte ze door haar tranen heen en voelde ze hoe sterk hij was.

‘Waar denk je aan?’ vroeg hij na een tijdje.

 “Aan perfectie.”







donderdag 21 februari 2013

De trui

Hij groette haar enthousiast. Toen ze hem zag, kreeg ze de neiging om hem te omhelzen. Dat de werkelijkheid niet eens in de buurt van een aanraking kwam, maakte niet uit. Ze voelde zich door hem gesteund en dat begon al bij de begroeting. Het was één van de eerste koude dagen en ze zag hem voor het eerst in een trui waar hij anders altijd overhemden droeg. Ze schrok van de uitwerking die de trui op haar had. Het informele gehalte. Zijn hoofd boven de stof leek ineens stukken zachter, vriendelijker. Zijn haar zag er soepel uit alsof het net gewassen was. Ze dacht dat het wel statisch zou worden als hij zijn trui uit zou trekken. Hij glimlachte, zijn ogen leken helderder blauw dan ze ooit had opgemerkt en hij praatte maar door. Hij bleef praten omdat hij wist dat ze een stilte nu niet kon verdragen. Ze zag hem zijn best doen. Hij had het nergens over, maar hij stelde haar op haar gemak. Het liefst wilde ze hem dat laten weten, maar dat lukte niet. Er kwam niets uit haar mond. Soms probeerde hij wat minder over niets te praten en wat meer over wat ertoe deed, maar zodra hij haar ogen zag, had hij het begrepen. Hij moest lachen om haar stelligheid en haar onbeholpenheid. Haar stelligheid dat er niets aan de hand was, terwijl hij zag dat ze uit evenwicht was. Haar onbeholpenheid om daar vervolgens niets over te kunnen zeggen. De ontkenning die de bevestiging in zich had. Hij vroeg wat haar nou zo raakte. Hij vroeg hoe het kwam. Hij leek oprecht geïnteresseerd. Het verwarde haar. Ze zou hem alleen al antwoord willen geven omdat hij was zoals hij was, maar ze zei niets. Ze haalde haar schouders op. Het was de vriendelijkheid die haar raakte. De vriendelijkheid, en niets dan dat. Op zachte toon sprak hij verder, alleen tegen haar. Hij mocht alles zeggen. Het was gepermitteerd. Ze had toestemming gegeven.
Ze hoopte dat hij de volgende keer zijn overhemd weer droeg. 

dinsdag 12 februari 2013

Ouder gemoed

Het was het gemoedelijke dat in zijn karakter was geslopen dat mij zo raakte. Mijn hoofd zat dikwijls vol, te vol voor een hoofd, terwijl ik best een groot hoofd had. Dat zat in de familie. Min of meer. Het was niet zo dat mijn hele familie met buitensporig grote hoofden rondliep. Toch was de omvang van mijn hoofd vaak groter dan die van een ander. Op foto’s zag je dat goed. Zijn hoofd leek echter eerder te krimpen. De wangen waren ingevallen en het was of de diepe rimpels en groeven in zijn voorhoofd een deel volume wegnamen. Zijn neus was riant. Daardoor kwam er weer wat evenwicht. Zijn oren bleven klein, hoewel oren groeien met de jaren. Bij hem leek dat niet op te gaan. Zijn oren bleven bescheiden. Ik wist niet wat dat te betekenen had, hoewel ik er graag een betekenis aan had gegeven. Ik kon slecht tegen dingen zonder betekenis, ook al waren het oren. In principe geloofde ik niet in dingen die niets dan dingen waren. Niets stond op zichzelf. Overal zat iets achter. Dat moest. Mijn hoofd zat dus dikwijls te vol. Nu ik erover nadenk: van zijn haar was ook niet veel over. Dat zou gezichtsbedrog kunnen opleveren. Een hoofd zonder haar leek algauw een stuk kleiner. 

Vroeger had hij een volle haardos, vroeger toen ik klein was. Ergens is het zonde dat ik niet meer klein ben. Mijn moeder bewaart een foto van mij van toen ik klein was. Ze wil herinnerd worden aan die tijd. Aan die tijd en mijn schattigheid. Ze kijkt ernaar als ze boos is om wie ik nu ben. Als ze moeite heeft met acceptatie. Zo kalmeert ze zichzelf. Ik zie mezelf voorzichtig glimlachen zoals ik was toen ik klein was. Mijn vader met de kleine oren en de grote neus zegt dat ik cameraschuw was. Volgens hem is het een wonder dat ik op die foto gekomen ben. Mijn vaders rimpels in zijn hoofd komen door hoe ik was toen ik klein was. Mijn vader kan beter met mij omgaan zoals ik nu ben. Nu, als in: niet meer klein. De heimwee naar vervlogen tijden zoals mijn moeder die kent, is mijn vader vreemd. Mijzelf ook. Dat komt omdat ik me niet meer herinner wat er in mijn hoofd was toen ik klein was. Zo klein als op de foto. Het lijkt alsof ik nooit bestaan heb. Daar kan ik niet tegen. Mijn vaders gemoed bevestigt mijn bestaan. Mijn grote hoofd staart hem aan. De schuwe glimlach is voor haar. Schaterlachend. In mij zit zij, zoals ik in haar, al herkent ze me niet altijd. Dat is wat het doet; de tijd.

zondag 10 februari 2013

Geruste groet

De gemoedelijkheid van
de dagen
en de daken
de weilanden
bedekt met wit

Het onaangeroerde van
het landschap
en de dieren
en de lucht
bedekt met zorgeloos

Ze steken af
tegen
het zorgeloos wit
terwijl ze samenvallen;
de dingen die er zijn

En de strepen
en de stappen
de voorzichtige tred
en de haastjager
leefden er naast elkaar
tezamen
in het beeld
tussen de kozijnen
van mijn raam

En binnen tikt de kachel
van gemoedelijkheid
en geruste groet
De warmte blaast
en ik voel mij omarmd
door deze eenvoud
Zo aan mijn zij
zo zuiver zacht
vannacht