maandag 30 december 2013

Gisteren versus vandaag

Gister, om de dag door te komen,
had ze zin in vandaag, met verwachtingen
en hoop en levenslust vol vragen
maar vandaag
weet ze niet waarop ze wacht
het is niet dat er iets veranderd is
door de slapeloze nacht
de ene dag werd slechts de ander
Er is wederom niets
gebeurd, niets wat zij bedacht.
Enthousiasme kwam haar plagen.
De leegte lacht.

Tot morgen,
tot weer een dag.

dinsdag 3 december 2013

Denkend aan

Er zit een foto in mijn fotoalbum waar ik als klein kind op de arm van mijn moeder zit. We lachen allebei naar de camera, allesbehalve een bescheiden lach. Een gezonde blos en rode lippen bij beiden. Mijn moeder heel naturel -ik kan geen beter woord verzinnen- en ik ook. Jong nog, zo jong.
Mijn moeder heeft mij wel eens verteld dat ik als klein kind, wanneer zij emotioneel was, tegen haar zei: "Het lijkt wel of jouw tranen uit mijn ogen komen, mama." Ik weet niet waarom ik daarbij juist de lachende foto op mijn netvlies heb staan - al is dat eigenlijk logisch. Het verschil tussen een lach en een traan is zo groot niet. We fotograferen alleen de lach.

Deze week maakte ik iemand anders aan het huilen, door zelf emotioneel te zijn. Nu is dat geen vreemd fenomeen als je dichtbij iemand staat, maar het gekke was dat ik deze persoon nauwelijks kende. En zij mij niet. We waren min of meer 'toevallig' op dezelfde plek en hadden slechts beleefdheden met elkaar gewisseld. Het voelde fijn te weten -te zien- dat zij mij voelde, dat zij dat kon. Mijn tranen mochten ook door háár ogen naar buiten komen. Ze hielp mij uiten. Ze gaf mij lucht, ze nam voor heel even iets van me over.

Mamma

...






woensdag 27 november 2013

Wat de dag mij talig zeggen wou

Zijn vinger gleed tergend langzaam over de bladzijde. Hij las de woorden hardop hakkelend. Hij las voor. Hij sprak als een kind dat leerde lezen. Als hij een fout bemerkte omdat hij later in de zin hoorde dat het niet kon kloppen wat hij had gezegd, begon hij weer vooraan. Zweetdruppeltjes parelden op zijn voorhoofd. Zijn ogen waren gefocust op de letters die voor zijn ogen dansten en je kon zijn hoofdpijn voelen door alleen naar hem te kijken. Na een paar zinnen stopte hij. Hij keek me machteloos aan. Ik vroeg hem in zijn eigen woorden na te vertellen wat hij zojuist gelezen had. Hij kon het niet. Hij had al zijn energie nodig voor de techniek van het lezen. Hij kon niet lezen en begrijpen tegelijk. Hoe wreed was ik dit van hem te vragen? Hij keek naar me op als een prooi naar zijn jager voor de genadeklap die maar niet kwam. Ik vroeg hem hoe hij het voor elkaar had gekregen het héle boek te lezen. Ik wist dat hij het gedaan had. Er was toezicht op hem gehouden. Hij wist het niet. Zijn antwoord was praktisch van aard. Elke dag drie kwartier lezen, vijf weken lang. Dat was de tijd die hij ervoor nodig had gehad het flinterdunne boekje uit te lezen. Ik knikte slechts. Hij vertelde verder. Als iemand hem voorlas, kon hij het wel begrijpen, maar als hij zelf las zag hij alleen maar tekens en hoorde hij alleen maar klanken. Klanken zonder taal. Zonder betekenis. In zijn hoofd duizelde het. Hij vertelde me hoe mensen dachten dat hij dom was -het gaf mij hoop dat hij het zo zei: de mensen dachten dat hij dom was-. Hij zei het met een zekere nonchalance. Je zag hoe hij het gewend was. Hij had het gevecht gestaakt, omdat hij zelf wel beter wist. Hij vertelde hoe hij was gestopt met proberen. Hij vertelde hoe hij besloten had niets te doen. Met niets doen kon je tenminste geen fouten maken. Hij was met de grond gelijk gemaakt. Hij was uitgelachen. Hij was zielig gevonden. Lager kon hij niet vallen. Hij richtte zich op andere zaken. Zaken waardoor hij wel eigenwaarde en controle ervoer. Zaken waardoor anderen tegen hem opkeken, maar die het daglicht niet konden verdragen. Hij zocht vrienden die hem zagen staan. Hij toonde lef. De deskundigen, de professionals, ze zeiden dat hij hard aangepakt moest worden. De wanhoop in zijn ogen. Het was geen onwil. Er was nog nooit naar hem geluisterd. Ik zei tegen hem dat ik wel snapte dat hij niets deed. Hij knikte slechts naar me. Hij had me begrepen. Hij was nog zo klein. De hoofdpijn barstte uit zijn voegen. Ik moest naar buiten, net als hij. Ik hapte naar adem.

Het opschrijven van taal is het meest idiote wat er maar bestaat. Vooral dat we dan van anderen verwachten dat ze lezen wat er staat. Madness. Wie zijn wij dat wij denken dat dat kan? 

Op mijn weg naar huis, kwam ik een schreeuwende man tegen. Hij schreeuwde door de straten, op zijn fiets. Hij stopte voor het verkeerslicht, schreeuwend. In een dorp zou hij de dorpsgek zijn, in een stad één van de velen. "En taal kun je ook niet begrijpen! Niet te begrijpen! Niet te begrijpen wat mensen zeggen! Niets! Net als zwart en wit! En goed en kwaad! Dat kun je niet bevatten!" Mensen keken voorzichtig om. Wie was deze gek? Waar was hij ontsnapt? "Je kunt het niet bevatten, bevatten, bevatten!" Het speeksel spatte uit zijn mond met de vurigheid waarmee de woorden de straat op knalden, de stad in, de oren van de mensen in. "Je kunt het niet verwerken, geestelijk! Je kunt het geestelijk niet verwerken!" Het woord 'geestelijk' had ik nog nooit zo duidelijk gearticuleerd gehoord. Hij bleef hetzelfde riedeltje herhalen. Ik stak het zebrapad over en ik snapte dat de herhaling nodig was, net zoals de strepen van het zebrapad herhaald moesten worden tot ze de overkant bereikten. Tientallen, honderden meters verder, hoorde ik de man nog schreeuwen. Keihard. Het echode tussen de gebouwen. De muren weerkaatsten de taal. 

Gesproken taal moet ook voorzichtig, want anders zijn we idioot. (Om niet te zeggen: compleet gestoord.) Gehoord worden we toch niet. 
Wie zijn wij dat wij denken dat we luisteren? 

...




donderdag 21 november 2013

Jongen

Ik zag je wel
zitten in je jas
-duister weggedoken-
en in je gezicht
Ik zag je ogen wel
staand liggen gapen
in tegenspraak met
alles wat je zei
Je woorden verlieten jou
met een heftigheid from hell
maar je ogen keken niet
naar waar ze gingen
naar waar ze kwamen
spuwend neer
woordenwolkend weg
Alles wat je sprak
was mono, loog en ik
Ik zag je wel
zitten in je lichaam
dat je verdoofde
zonder naam
Ik zag je wel
bewegen en praten
en doen en doelloos
onhandig zijn
ruige rookwolken
vol van inhoud
maar te leeg
om te verstaan

Jongen jeugdig van gemoed
het ga je goed
het ga je goed




zaterdag 16 november 2013

Aaneen geschoven stoelpoten

De bosvruchten
vrezen het vlees
van draadjes aan elkaar
gedrapeerd over de tafel

Toegedekt
met zilvermeeuwen
gepoetst grijs dat glinsterend
onze ogen bedacht
te laten fonkelen
in het kaarslicht

Vrijvliegers zijn we
kijk ons dan:
keurig krankzinnig
aaneen geschoven
stoelpoten
we schoppen elkaar
niet onderuit
maar onderhuids

Opzwellende zenuwen
tussen de waterige wijn
als winegums
in een nachtje water
puur als biologisch experiment
want de smaak
is er nu wel af
gevolgen schetsend
schertsend vruchtvlees
dat zit op wankele poten

En nog een fijne kerst.



woensdag 13 november 2013

Vervoer me

Ik zwier
ik zwelg
ik zwem
Gewetenloos
en opgelost

Ik wacht
ik smelt
ik smacht
Zwachtelend
op mijn voeten

Zo zit ik vast
en ben ik los
Ik lach
ik lef
ik loer

De dag ging anders
dan ik dacht
ik doe
ik dans
ik dwaze hoer

woensdag 30 oktober 2013

Volg maar

Ze wiegde zichzelf in het kommetje van haar armen. Haar ellebogen op de tafel, haar hoofd voorover erin, de armen strak langs het gezicht, de handen ineen, eindigend ergens op haar achterhoofd. Het hielp. Het hielp als ze haar armen strakker om haar hoofd trok, afgesloten en één met zichzelf. Ze moest het even voelen en wiegde heen en weer. Terwijl ze dat deed, zag ze zichzelf zitten. Bij ieder ander zou ze zich zorgen gemaakt hebben om de aanblik, maar ze wist dat ze veilig was in haar eigen armen. Ze liet het rustig gebeuren en hoopte dat het nog niet zou stoppen. Ze volgde de stroom in haar hoofd, die voerde tot aan haar hart. De stroom aan woorden en gedachten en gevoelens. De draaikolk. De waterval. De kleine watervalletjes die vanaf de hoogste bergtoppen met de kracht van de natuur naar beneden raasden en dan weer sijpelden. De toppen die de overvloed kwijt moesten en de rust daar onderaan. De beelden drongen zich aan haar op. Ze hield haar hoofdpijn vast en plukte aan haar haar. Haar vingertoppen voelden koud aan en ze stopte ze in haar handen, haar vuisten zo dicht mogelijk op de hoofdhuid. De wereld moest nog even wachten, zwijgen nog. Later, later was het goed. Ze suste zichzelf. Ze zou volgen.

...


zondag 27 oktober 2013

Apathie

Vandaag is apathisch
de hele dag is woest wanstaltig
en ik ben afgehakt
van verdriet en
van mijn lichaam
als een blaadje
van een boom
-het is tenslotte herfst-
alleen zweef ik niet
en kleur ik niet
pas ik niet in de tijd
alle jaren ten spijt
blaadjes hakken niet
maar laten los
-vanzelf-
tot aan de picknick
in het bos

Een mens -mij bovendien-
een glimp te laten zien
van wat had kunnen zijn
is wreed en ruw en
niets dan: pijn
als de bast van de stam
waar je me tegen duwde
met je wangen
van verlangen
eeuwenoude ringen
in je baard
schurend in mijn hals
voor de genadeklap
ik stik ik stik ik stik

Nooit kan ik meer
-vanzelf-
vergeten wat ik zag
omdat jij zo nodig
dacht met slag
en stoot
ik ik ik


De idylle

Ik woonde op een boot in de stad, in de helft van het ruim van het schip. De andere helft was voor een andere huurder. Hij had een kameleon waar ik op paste als hij weg was. Het beest kreeg spinnen en insecten te eten. Met een plantenspuit moest je de bladeren in zijn kooi bevochtigen zodat hij kon drinken. Een felle lamp stond gericht op zijn leefomgeving. De huurder had een darmziekte, de doosjes lucifer op het toilet hielpen daar niet tegen. Aan andere geurmiddelen had de alternatieveling geen boodschap. De kameleon stak vervaarlijk sissend zijn tong naar me uit. Hij werd nog net niet zwart. Eén keer dronk ik thee op de kussens in het hol van deze medehuurder, daarna hield ik het contact buiten het hoogst noodzakelijke voor gezien, hoewel hij me op alle mogelijke social media probeerde te volgen.

De eigenaresse van de boot, een oudere vrouw gekleed in kleurrijke wollen gewaden, woonde boven, in het daglicht en met het uitzicht dat je van een boot mag verwachten. Ze was een hippieprovo en ze leefde niet in deze tijd. Eerst dacht ik dat ze vaak bezoek of telefoon had, maar later kwam ik erachter dat ze continu in zichzelf praatte als er geen ander in de buurt was. Dit deed ze zowel binnen als buiten. Op het stukje gras aan de kade hield ze twee agressieve geiten die uitbraken zodra ze de kans kregen. Midden in de nacht moesten we ons bed uit om de beesten te vangen. Ik gaf ze te eten als de vrouw weg was. Emmers vol groenafval. Uit mijn raampjes keek ik net boven het wateroppervlak uit. De geiten staarden altijd brutaal bij me naar binnen. Soms hing ik demonstratief een handdoek voor het raam waar ze stonden. Ik hield geen daglicht over. Planten gingen dood. Net als ik. Twee maanden per jaar was de vrouw weg. Het was voor ons altijd een raadsel waar ze verbleef, maar we maakten schema's om de geiten in leven te houden.



Als het waaide, schudde de boot zo hard heen en weer aan de kettingen, dat slapen -zelfs met de beste oordoppen in- onmogelijk gemaakt werd. De regen kletterde op het dek. Ik droomde vaak dat ik wakker werd en me heel ergens anders bevond dan waar de boot gelegen had. Zelfs mijn huis had geen vaste standplaats. In mijn onrustige, korte dromen ging ik heel wat plaatsen en landschappen af achter de raampjes. Tegen de ochtend ging ik met wallen onder mijn ogen naar mijn werk om op te warmen. De verwarming werkte niet, in mijn ruim. Als ik daarover klaagde bij de eigenaresse, vond ze me verwend. Had ik nooit geleerd dat je ook een extra trui aan kon trekken? De kou zat echter al in mijn botten en daar kon geen kledingstuk tegenop. Zelf had de vrouw een houtkachel, boven. Hout hakte ze zelf, naast de geiten. Vervolgens moesten wij -de huurders- haar helpen de houtblokken naar binnen sjouwen omdat ze last van haar rug en haar gewrichten had. De rook zag je al van veraf gemoedelijk de schoorsteen van de scheef liggende boot uit komen.

Als ik 's avonds -zo laat mogelijk- thuiskwam, zag ik de ratten wegschieten aan de kade. Rillend van afschuw klauterde ik naar binnen. De grootste spinnen stofzuigde ik weg voor ik me op de bank in een deken wikkelde en mijn ontsnappingskansen overdacht. Geld en moedeloosheid waren een probleem. Zowel blijven als verhuizen was geen optie. Steevast fietste ik dus elke morgen twaalf kilometer naar mijn werk. Het voortduwen van de trappers werd mijn redding. In elke trap stopte ik mijn woede, mijn frustratie en verdriet. Elke dag fietste ik harder en harder. Een vrije dag was een kwelling, want ik voelde me nauwlettend in de gaten gehouden door de vrouw.

'Mijn helft' van het schip lag het minst diep in het water. De boot was uit balans, aldus de vrouw. In plaats van de andere huurder te sommeren zijn verzameling troep op te ruimen, plantte ze 'mijn' trap naar boven vol met bakstenen. Ik kreeg het verwijt dat ik te weinig spullen had, ik bracht te weinig gewicht mee. Kon ik het helpen dat ik zo verwend was met al mijn spullen. De manier waarop ze het zei, deed mij echter vermoeden dat het weinige gewicht dat ik inbracht, zowel letterlijk als figuurlijk bedoeld werd. Inwendig telde ik wel duizendmaal tot tien om te kalmeren.

De vrouw haalde producten op die bij de plaatselijke supermarkten afgekeurd waren vanwege de houdbaarheidsdatum of een rotte plek of scheurtje in de verpakking. Deze deelde ze rond in de buurt. Tonnen voedsel werd zomaar weggegooid, prima voedsel, betoogde ze. Dat was één van de weinige dingen waar ze gelijk in had en dankbaar nam ik het voedsel mee naar binnen dat ze voor mijn deur legde. Zo kon ik mijn huur betalen én eten. Ik stond ervoor in een winkel en luisterde naar de problemen van de welgestelde klanten. Daarnaast hielp ik in de huishouding bij oudere mensen. Het waren de enige plekken waar ik dankbaarheid ontving, de enige plaatsen waar ik me nuttig voelde bovendien, en waar ik het warm had.


zaterdag 26 oktober 2013

Asfalt met kikkerdril

Ze liep vlug, hobbelend achter haar rollator de straatstenen over. Haar grijze haar, stijf in permanent gestoken, hobbelde ongecontroleerd mee. Ze keek op noch om. Ze moest het onhandige ding op wielen bij zien te houden. Haar dochter had haar verplicht het te gebruiken nadat ze een keer -één keer!- een smak had gemaakt over een loszittende stoeptegel. Sindsdien was ze een gevaar voor zichzelf geworden - natúúrlijk. Haar knokkels zagen wit, zo stevig hield ze de handvatten vast, als de dood dat het peperdure onding er zonder haar vandoor zou gaan en ze inderdáád haar evenwicht zou verliezen. Ze nam grote passen, zo groot als de split in haar grijze rok toestond. Haar schoenen waren plat en glanzend zwart. Haar benen zagen er glad uit, de panty iets te donker. Haar jas was donkerbruin en groot genoeg. Hij slobberde om haar vermagerde schouders. Ze dacht aan haar man. Als hij nog leefde, zou hij haar uitgelachen hebben om hoe ze er nu bij liep. Hij zou om haar gelachen hebben zoals hij lachte om mensen die zogenaamd hun hond uitlieten, terwijl het andersom was. Niet te geloven dat ze dit deed. Woest stapte ze verder. De rollator maakte nog geluid ook, als ze te hard ging. In elkaar gesleuteld door iemand die zelf de marathon nog kon lopen en dus geen idéé had hoe dit was, hoe onterend, hoe vernederend. Ze voelde de blikken op straat wel, mensen die haar met een meelijwekkende blik nastaarden als ze voorbij denderde. Ze keek expres niet meer om zich heen. In één beweging en veel verder dan strikt noodzakelijk, tilde ze de rollator hoge stoepranden op en af. Neerzetten en weer doorlopen. Mensen die haar wilden helpen oversteken, snauwde ze nors toe. Bij de volgende hoek de vijver. Ze zou het ding rechtstreeks het water in sturen. Haar dochter zou geloven dat het een ongeluk was. Korte metten moest ze ermee maken. De betutteling het asfalt in slaan en toedekken met kikkerdril.

woensdag 16 oktober 2013

Leegte

Ze klopte op mijn deur. Het klonk voorzichtig, een schril contrast met de manier waarop ze met een mes allesbehalve voorzichtig in de bloemkool hakte als ze dacht alleen te zijn. Ik had daarom ook niet verwacht dat zij het zou zijn toen ik naar de deur snelde om deze te openen voor mijn onverwachte bezoeker.

"Hoi." "Hoi!" Weer was er het aftasten. Ik kon haar gezicht nu beter bestuderen. Puntig. Een spitse neus en duidelijke kaaklijnen rondom het smalle gezicht. Op haar jukbeenderen een veeg make-up. Donkere ogen. Zorgvuldig bewerkte wimpers. Haar mascara klonterde niet. Een zwart lijntje. Haar haar was steil en glanzend en viel tot net iets verder dan haar kaken langs haar gezicht. De langste lokken twijfelden of ze haar schouders zouden raken. Geblondeerd, dacht ik. Ze kon het hebben. Het gaf haar een zekere klasse en het zorgde voor een afstand tussen ons. Je kon zien dat ze goed voor zichzelf zorgde. Zonder dat ik verder ook maar iets van haar wist, keek ik tegen haar op. Ik vroeg me af wat zij in mijn gezicht las, of in mijn houding.

"Ik ben morgen jarig," viel ze met de deur in huis. Daarna bleef ze stil, alsof ze met deze mededeling alles wel gezegd had. "Leuk!" zei ik dus maar. Gelukkig vroeg ik niet of ze 'lekker haar verjaardag ging vieren.' Ik wilde haar niet betuttelen. Ik weet niet waar die neiging vandaan kwam. Ze had een onbeholpenheid over zich zoals een klein, ontredderd kind dat ook kan hebben. Misschien was dat het. Haar uiterlijk klopte niet met haar manier van doen. Het intrigeerde me: de tegenstrijdigheid.
"Valt wel mee." De stilte die volgde, was weer lang, maar ze herpakte zichzelf: "Ik krijg veel bezoek. Ik heb niet genoeg zitplaatsen. Kan ik één of twee stoelen van je lenen?" Ze sprak de zinnen snel achter elkaar uit, alsof ze er gauw vanaf wilde zijn. Ik schoot in de lach. "Ja, natuurlijk." Onhandig sjouwden we twee van mijn stoelen (ik schoof ze bij de eettafel vandaan) de trap af, over de gang, langs de keuken, naar haar verdieping. Voor haar deur bedankte ze me - ze zou het verder wel redden.
Later die dag vond ik een kaartje dat onder mijn deur door was geschoven. Ze nodigde mij ook uit, voor de avond daarop. Meer dan plichtsbesef kon het niet zijn. Je kon niet iemand niet uitnodigen op een feestje als je voor diezelfde gelegenheid stoelen van haar leende. Ik besloot ernaartoe te gaan vanuit een zelfde plichtsgevoel. Beleefdheid, maar toch ook nieuwsgierigheid. Ik wilde achter haar deur kijken.

Ik kwam expres laat. Toen ik haar woonkamer binnentrad, was het er warm en vol met mensen. Overal lagen grote, kleurrijke kussens op de grond. Groepjes mensen zaten verdeeld over de kamer bij elkaar, zoals mensen op een zomerse dag in het gras zitten in een park. Langs één muur, keurig opgesteld in een rij naast elkaar, stonden stoelen. Ze waren allemaal verschillend. Vaag herkende ik mijn twee stoelen. Leeg.


woensdag 9 oktober 2013

Bloemkool

Het eerste beeld dat ik van haar kreeg, zou me voor altijd bijblijven. We maakten kennis in de keuken en ze stond bloemkool te snijden. Een grote stronk bloemkool, midden op het aanrecht. Ze hakte er met een mes in. Met één hand hield ze het gevaarte op zijn plaats en met haar andere hand bediende ze het mes. Er droop water van de stronk. Aan de linkerkant van het aanrecht stond een berg afwas, demonstratief opzij geschoven. De borden, schaaltjes, kopjes en glazen waren in elkaar en op elkaar gestapeld zodat er zoveel mogelijk ruimte op het aanrechtblad vrijkwam. Bestek was in de hoogste glazen gestoken.
Het mes dat ze gebruikte, had een zwart handvat. Ik dacht dat je dat een lemmet noemde, maar het woord kwam me ineens vreemd voor. Terwijl ik haar voor het eerst in de ogen keek, was dat waar ik aan dacht: noem je het handvat van een mes nu een lemmet? Terwijl ze doorging met het snijden van de bloemkool - het hakken was geen onhandigheid, je kon zien dat ze het vaker deed, dit was gewoon haar manier - keek ze me aan. Ik durfde bijna niet terug te kijken of iets te zeggen, bang dat ik haar zou afleiden en dat het mis zou gaan met het mes. Gelukkig hield ze even stil.

"Hoi!" 'Hoi.' We bleven elkaar stilzwijgend aankijken, aftastend. Ik stond op de drempel, tegen de deurpost aan. Een deur zat er niet in. De keuken en de gang waren niet van elkaar gescheiden, behalve door de drempel. En de deurposten. Ze gaven prijs dat er ooit een deur gezeten had. Waarschijnlijk waren wij toen nog klein, wij: zij en ik. Het huis was oud. Ik vond haar ook oud. "Jij bent zeker de nieuwe bewoner van de bovenste verdieping?" "Klopt!" Ik stak mijn hand niet uit, maar noemde mijn naam. Haar naam leek op die van mij. Mijn ogen dwaalden weer af naar de bloemkool. "Lekker aan het koken?" Het was de meest debiele vraag die een mens kan stellen aan een ander mens. Ze lachte en veegde een pluk haar weg uit haar gezicht. Met die beweging spetterde ze water van de bloemkool op de grond. Ik vroeg me af of ze die bloemkool helemaal alleen op zou eten. Misschien kreeg ze bezoek. Of misschien verdeelde ze de stronk in stukken voor verschillende dagen van de week. Ik vroeg me af wat ze er verder bij zou eten. Er lag niets op het aanrecht dat me een aanwijzing gaf. Ik besloot het niet te vragen en draaide me om.

zaterdag 5 oktober 2013

Beeldecho

Het was duidelijk hoe hij dacht over het verschil tussen hen. De woorden echoden na in haar hoofd. Hoe kon het dat hij haar zo zag? Kwam zij werkelijk zo over, of zat dat alleen in zijn hoofd? Had zij zelf bijgedragen aan dit beeld? In hoeverre was zij verantwoordelijk voor de manier waarop hij haar zag?

Natuurlijk, ze kon hard zijn. Vaker hadden mensen haar ervan beticht nogal zwart-wit te kunnen denken, zich zo althans te uiten. Het deel achter de komma vond ze nodig toe te voegen. Ze kon zich veel resoluter uitdrukken dan hoe de grijze ideeën in haar hoofd zweefden, maar ze deed dit heel bewust. Niet bij iedereen, niet altijd, maar bij hem wel, nu wel. Om tegenwicht te bieden. Om duidelijk te zijn. Om tot denken aan te zetten, wellicht. Ze wist precies wanneer ze haar mening liet gelden en wanneer niet. Ze deed dat niet bijzonder vaak, maar áls ze het deed, dan was dit stellig. Ze koos die momenten zorgvuldig. Niet altijd vond ze het nodig. Niet altijd waren de gevolgen even belangrijk. Niet altijd was het de energie waard. Niet altijd deed het ertoe. Niet echt. Over onbenullige zaken haalde ze haar schouders op. Ze kon onmogelijk strijden voor ieder detail in de wereld. Er waren genoeg zaken waar ze domweg de interesse niet voor op kon brengen. Dat nam ze zichzelf niet kwalijk.

Nu ging ze wél de strijd aan. Omdat hij het was die dit zei. Omdat hij een beeld van haar had waar ze zich onmogelijk in kon vinden. Ze had het geprobeerd, uit alle macht. Ze probeerde zich in te leven in hem. Ze probeerde door zijn ogen naar zichzelf te kijken, maar het lukte niet: ze zag niet wat hij zag. Ze kon zijn gedachtekronkel niet volgen. Ze begréép hem niet. Het was iets anders dan het oneens zijn met iemand. Fundamenteel anders. Ook als ze het oneens was met iemand, kon ze vaak nog wel begrijpen waarom iemand zo dacht. Dan wond ze zich er niet over op.  Dat kon ze gauw genoeg loslaten, maar dit leek nergens op gebaseerd. Dit kon ze niet plaatsen. Had zij hem ooit aanleiding gegeven voor de gedachte die hij had over haar? Ze ging haar gangen na. Ze spitte in het verleden. Ze wilde haar beeld helder krijgen - zijn beeld.

Ze vroeg hem ernaar, natuurlijk, maar hij was meer het type dat standpunten en oordelen poneerde, zonder daar argumentatie aan toe te voegen. Hij kon beter schreeuwen dan praten. Hij was beter in monologen dan in dialogen. Ze vond geen ingang. Geen enkele. Alles wat ze had, was de echo in haar hoofd.




zaterdag 28 september 2013

De troost

Als de klanken
van een piano
-een instrument!-
aangeslagen door
een oefenend kind
spelend nog
door de muren galmen
in een huis
- waar het verder stil is
geen beweging
geen geluid
geen stem
geen wereld
die er is -
vegen ze alle voorgrond
weg en stellen ze
gerust
al wat daarachter is.

Het spel dat
nergens van afhangt
en is, dat wint.
Altijd.
Naar het probeersel
wordt geluisterd
en dat is
de reinste soort
die alles heelt
wat nog niet ging
nog niet
niet echt.

Het is deze kunst
de enige die er is
die mij vindt
-bemoedigend-
en die
haar doel bereikt.

...

woensdag 25 september 2013

Klankbord

De wind stond zo hard dat ze het gevoel had dat hij haar ene oor in blies, dwars door haar hoofd boorde, om er via haar andere oor weer uit te gaan. Ze stelde zich voor dat er midden in haar hoofd nu een lege strook ontstaan was. In haar hoofd zat nu Het Niets. Het deed bijna pijn zo hard als de wind ging. De leegte deed pijn, maar was gevuld met alles. Het was alles, wat de wind meebracht. Ze dacht dat de wind haar bewust wilde maken, bewust van wat er in haar hoofd was, en bewust van wat ze moest laten gaan. Ze zei dat allemaal en ze zag dat hij dacht dat het gebazel was. Ze zag ook dat hij haar desondanks liet praten en daardoor deed de leegte wat minder pijn.

Via de duinen liepen ze terug, schuilend voor de zeewind. "Kijk, een muur van groen," zei hij toen ze terug naar beneden liepen. Het was een beschermwal, dacht ze. Een beschermwal en een opslagplaats. Hier werd opgeslagen wat de wind meenam. Hier was het vol en 'veel aanwezig'. Ze zei dat ze zichzelf niet meer voelde en bazelde tegen hem aan. Ze vroeg wat hij net zei, want ze hoorde hem wel, maar ze luisterde niet. Hij was haar beste achtergrondgeluid en zij vormde zijn achtergrond. Alles wat ze dacht en wat er nog over was in haar hoofd, klonk beter als ze het tegen hem zei. Tegen ieder ander klonk het belachelijk. Hij zei minstens even belachelijke dingen. Achteraf lachten ze elkaar uit, maar op het moment waren ze heel serieus. Het was alsof ze iets stiekems deden. Het was hun gouden verbond.

"Jammer dat we via deze weg terug zijn gegaan," zei hij, en nu luisterde ze, "maar ik dacht dat het anders was." Ze beaamde dat je dan bedrogen uitkwam. "Zo dichtbij en zo ver weg," hoorde ze zichzelf nog bazelen. Even daarna was ze terug. Ze leunde tegen de beschermwal. "Ik ben ineens zó moe, ik ben helemaal door elkaar gewaaid en alles moet zijn plek weer vinden." Hij had het ook, maar bij hem was de boel juist weer op zijn plek gewaaid. Dat zei hij. Ze knikte. Ze wisselden elkaar af.

zaterdag 21 september 2013

Grote wereld

Ze moest lachen. Haar glimlach veranderde steevast in een schaterlach, hoe meer hij zei. Zijn taal en zijn gebaren waren vurig. Hij verkondigde alles wat hij zei heel stellig en zijn hele lichaam deed mee met zijn verhaal. Ze kon zich niet voorstellen dat er ook maar één klein minuscuul stukje in zijn hoofd over was waar op dat moment plaats was voor iets anders. Als hij praatte -om het even waarover-, dan gooide hij alles in de strijd. Ze had soms moeite naar de inhoud van zijn verhaal te luisteren omdat de vorm al een verhaal op zich was. Wanneer de inhoud tot haar doordrong, volgde de schaterlach. Ze lachte niet alleen om zijn verhaal, maar ook om het besef dat ze zo verschillend waren en toch zo samen één.

"Jij bent echt zó anders dan ik!"
"Dat weet ik. Maar ik ken jouw type."
"En ik dat van jou..."

Vanaf de eerste blik voelde ze zich meer met hem verbonden dan ze zich ooit gevoeld had met welk ander mens dan ook. Blijkbaar kon dat. Blijkbaar had Moeder Aarde, of Het Lot, of God, of wie of wat dan ook die of dat daarover ging, besloten dat dat kon. De verwondering daarover bracht haar in extase.

"Het is grappig om jou te horen praten."
"Je lacht me gewoon uit."
"Soms. Maar nu vond ik het gewoon mooi."
"Ik kan me niet voorstellen te denken zoals jij denkt, maar ik begrijp het wel."
"Het maakt onze wereld best groot."
"Ja."

donderdag 19 september 2013

Onder ons

Blijf je bij me als het weer het toestaat en weer toeslaat als een klok aan de wand?
Blijf je bij me tot aan de groene muren, bodemloze bergen met een zachte zorgenziel?
Blijf je me vertellen wat je ziet en zeg je het met woorden die ik hoor?
Blijf je tot aan de wanden van ons bestaan, met mos begroeid en gras van raam?
Blijf je bij me tot het plafond doorbreekt, waar de regen nooit genas?
Blijf je me vertellen hoe het uitzicht voelt en zeg je het als ik het zie?
Blijf je bij me tot het licht de golven raakt, het grijs grijnst als glas?
Blijf je tot de schuimkoppen dreigen en overspoelen, smakeloos gesmak?
Blijf je tot het vuil het land verpest en blijf je wijzen waar het lag?
Blijf je tot de aarde geen voetstappen meer kent, als onbestemd herinneringshelal?
Blijf je bij me tot de hemel hoog is, en weggespoeld als dwaze wens van as?
Blijf je weten wie ik was?

Blijf je dan nog even bij me, wachten tot het over is wat ik bedoel?
Blijf je dan nog even samen rennen omdat dat is wat we doen en deden, mouw aan mouw?

Het blijft ons onderonsje,
op een bankje in de zonnekou.

...


maandag 9 september 2013

Gelaagde geste

Het was een geste van vriendelijkheid, ik kan hier onmogelijk zeggen: gebaar. ‘Geste’ is een woord dat beter de lading dekt. Wie het verschil met mij ziet, begrijpt wat ik bedoel. Gebaar is hard en koud en koel, hoe vriendelijk ook bedoeld, maar een geste is van de grootste warmte denkbaar, als deze vriendelijk is –en dat is hij altijd. Het woord dreunt al een paar dagen door mijn hoofd: geste. Ik weet niet hoe het erin kwam en ik kan me niet herinneren wanneer ik ooit voor het eerst van het bestaan van dit woord afwist. Ik lieg, maar ik wil het niet delen (ik lijk misschien open, maar dat ben ik niet). Ik weet wel dat ik er onmiddellijk van hield. Met sommige woorden heb ik dat. Nu was het een associatie toen iemand tegen me sprak. Ik krijg soms de vreemdste associaties wanneer mensen tegen me praten. Een blik, een houding, een onhandigheid of een bedoeling. Een pluk haar voor een gezicht of een loensend oog, een scheve tand of een kloddertje speeksel in een mondhoek. Het is moeilijk te luisteren naar wat mensen zeggen, omdat er zoveel is dat kan afleiden. Al deze afleidingen zijn te associëren met woorden.

Ik droom in woorden. Ik zie wel beelden als ik droom, zoals we allemaal doen veronderstel ik –nooit heb ik een ander er expliciet naar gevraagd- , maar als een droom belangrijk is, dan gaat hij altijd gepaard met een woord. Ik zie dan in mijn droom letterlijk een woord, dit kan gedrukt staan of geschreven, knipperend of gewoon aan de rand van het droombeeld constant aanwezig zijn. Wanneer ik ontwaak vervagen de beelden –langzaam maar zeker altijd-, maar zo’n woord kan nog dagen of weken door mijn hoofd spoken, in de exacte vorm van het beeld waarin ik het geschreven zag staan in mijn droom. Ik weet zeker dat zo’n woord me iets wil vertellen en dat ik er wat mee moet. Woorden schreeuwen altijd naar me in mijn droom. Ze vragen de aandacht. Ik zou zo een lijstje kunnen geven van woorden die ik gedroomd heb, maar zo ver wil ik niet gaan.

Geste heb ik niet gedroomd, al zou je dat nu misschien verwachten. Geste kwam op klaarlichte dag tot me. Het dwarrelde zomaar vanuit de lucht mijn geest in, terwijl er iemand tegen me sprak. Geste van vriendelijkheid. Er sprak niet echt iemand tegen me, maar het was de herinnering aan een gesprek. Het was niet voor het eerst dat ik dit woord ‘hoorde’, maar het had een lange reis afgelegd. Het lag ver verborgen in mijn woordenkabinet, omdat er lange tijd geen afleidingen waren geweest die de associatie van dit woord met zich meebrachten. Juist dat laatste maakte dat niet alleen de afleiding, maar zelfs het woord van een onnavolgbare vriendelijkheid werd. Een vriendelijk woord kan slechts vriendelijke zaken omschrijven en herinneringen zijn altijd vriendelijker dan de werkelijkheid waaraan ze herinneren. Herinneringen zijn net dromen. Bij herinneringen heb ik het ook: woorden.

Woorden die ik gedroomd of herinnerd heb, onthoud ik. Ik onthoud ze, tot ik ontdek waarom, en dan koester ik ze. 

...

zondag 8 september 2013

Verontschuldigend schuilen

“Ik hoor het aan je,” zei hij, “je praat veel harder dan vroeger. Niet zo voorzichtig meer, alsof je kan breken bij het horen van je eigen stemgeluid. Je klonk altijd verontschuldigend.”  Hij klonk niet beschuldigend. Zij moest lachen. “Het komt door de omgeving,” zei ze. “Die is zo hard dat ik wel moet. Ik moet schreeuwen om verstaanbaar te blijven. Je wil zeker zeggen dat ik fragiel was?” Ze riep haar woorden nu expres tegen de wind in. Hij lachte. Hij lachte om haar bescheidenheid die vals was, maar van de oprechtste soort. Ze speelde met haar eigenschappen, maar hij hoorde de omgeving niet. De omgeving was niet hard. Zij was het. Zij was zo duidelijk aanwezig dat alles om haar heen verstomde, hoewel de wind alleen haar omver kon blazen. Iets kleins kon genoeg zijn om haar van de wereld te blazen. Daar had hij ooit één glimp van opgevangen. Niets was er van haar over. Achter iets kleins ging altijd iets groots schuil. Sindsdien zag hij haar overal. En ze was hard, hard in al haar verschijningsvormen, behalve in het echt. Nu zag hij haar steeds vaker terug zoals hij haar kende. Hij hield van haar zoals zij zich aan haar omgeving aanpaste als water. Hij hield van haar ongrijpbare aard. Zijn handen waren leeg.

“Ik hoor aan jou dat je veranderd bent.” Hij zei het nog een keer, om haar te laten horen wat hij zei. “Verandering bestaat niet,” zei ze. “Dat is alsof er goed en kwaad bestaat en alsof je van het één naar het ander kan gaan. Of van jong naar oud. Tegenstellingen zijn de grootste onzin ooit bedacht en van een naam voorzien.” Ze bleven even stil staan, om zich van hun plaats te verzekeren. “Ik blijf altijd wie ik ben, ik kies alleen steeds een ander,” besloot ze. Hij duwde haar vooruit terwijl hij het zei: “Ik hoor je.” En nog een keer, zachter: “Ik hoor je.” Dat wist ze en daarom durfde ze. In haar hoofd repeteerde ze alles eerst voor hem. Hij was haar onzichtbare zeil in de wind. “Als je stopt met praten, gaat het in mijn hoofd nog door,” zei hij, “de woordenstroom gaat verder in mijn hoofd, tot hij wegebt omdat ik er te lang naar heb geluisterd en niet meer weet hoe het begon.” Ze verklaarde hem voor gek dat hij naar haar luisterde. Er was niets wezenlijks dat zij te melden had. Ze snapte wel waarom hij altijd zo laat reageerde. In zijn hoofd was het nog niet stil. Zijn hart was vol. Ze priemde met een vinger in zijn borst. “Ik prik een gaatje in je hart.” Ze kon hem vangen en bevrijden.

...

woensdag 17 juli 2013

De oceaan

Haar kamer was de oceaan. Haar bed het schip. De stoel een eiland, het kussen op de grond een haai. De muren, wit behangen, waren hoge golven. De planken aan de muur andere schepen, vijandig wel misschien. Ze mocht de grond niet raken, want dat zou de verdrinkingsdood betekenen. De haai lag op de loer.

De deur stond open en vanaf de drempel was ze veilig. Om buiten de kamer te raken, moest ze vanaf het voeteneind van haar bed een spagaatsprong maken. Ze kon het, maar het bleef spannend, steeds opnieuw. Haar hart klopte in haar keel. De overloop, die zich achter de drempel bevond, was veilig land voor even.

Vanuit het raam, direct achter het hoofdeinde van haar bed, had ze een vergezicht. Alleen maar blauw, alleen maar zee, oneindig lang, oneindig ver. Het raam hield ze dicht, de kamer was al groot genoeg, al was hij klein. Het raam openen was gevaarlijk bovendien, uit het raam kon je vallen. De vensterbank was van kunststof, wit. De planken aan de muur leken te bewegen, ze kwamen op haar af. Er zaten poppen op. Grote kraalogen keken haar aan. Midden op haar schip was ze zichtbaar en vogelvrij. Het dekbed over haar heen bood niet genoeg bescherming meer. Wapens had ze niet, dus ze moest verstoppen, verdwijnen, weg.

Als ze dichtbij het voeteneind aan de rechterkant op de rand van haar bed ging staan, kon ze de deur van de kledingkast aanraken. De kledingkast was wit, alweer. Er zaten schuifdeuren in. Rechts was het gedeelte met planken, en er lagen stapeltjes kleren. De linkerschuifdeur gaf toegang tot het hanggedeelte. Er hingen kleren, maar die raakten niet de grond, de bodem van de kast. Vanaf het bed kon ze met een grote stap onderin het linkerdeel van de kast belanden. De deur ging gemakkelijk open, te schuiven vanaf het bed. Dan moest ze alleen nog zorgen dat ze tussen het bed en de kast de grond niet raakte. Het lukte. Ze trotseerde het water.

Eenmaal in de kast ging ze zitten met haar rug tegen de achterwand van de kast. Haar benen trok ze op, tot haar knieën haar neus bijna raakten. Eén arm stak ze vooruit om van binnenuit de kastdeur weer dicht te schuiven. Dan werd het donker, kledingstukken om haar hoofd. Ze sloeg haar armen om haar knieën. Niemand kon haar hier vinden. Ze giechelde. Ze was iedereen te slim af geweest. Stil. Verstopt, verdwenen, weg.

woensdag 3 juli 2013

Een vers van was

Ik hou van de geur
van geluk?
zou hij vragen
Nee, jawel,
maar dat bedoel ik niet,
niet nu.
van verse was.
Kledingstukken
in kleuren
rozeblauw
tot zacht.

Kledingstukken,
lappen stof
en lakens,
die de lauwe
laaghangende lucht
in de ruimte -doorleefd-
in zich opnemen
om verse lucht
- vol levenslust -
uit te ademen
de kamer in.
En buiten is het anders.

De kamer krijgt nieuw leven.
De kamer niet alleen.
De wereld wordt herinnerd
aan al wat komen gaat.

Kledingstukken die gaan
gebeuren -nog onbekend-
Avontuur dat nodigt
uit. De bloemen
in het veld. Ik zie ze
wapperen, vanbinnen.
Ik hou van de geur,
van verse was.

En ook van geluk.

donderdag 27 juni 2013

Gek

-          Ik heb een paar jaar opgesloten gezeten.
Opgesloten?
-          Ja.
Hoe bedoel je? Je bent toch geen crimineel?
-          In een gekkenhuis.
Een gekkenhuis?
-          Ja.
Zo noem je dat toch niet?
-          Waarom niet?
Waarom zat je daar?
-          Omdat ik gek was.
Doe nou eens serieus. Wat was er?
-          Als jij me niet serieus neemt, doet niemand het. Ik was gek en daarom zat ik in een gekkenhuis. Zo noemen we dat gewoon.
We?
-          Nou ja, de mensen die daar zitten.
De gekken dus.
-          Ja.
En nu?
-          Wat?
Ben je nu nog gek?
-          Nee.
Wanneer is dat veranderd dan?
-          Toen ik daar weer weg ging.
Oh. Dus nu ben je normaal?
-          Ik ben beter.
Ga je nog wel eens naar de gekken?
-          Nee.
Waarom niet?
- Omdat ze gek zijn. 
Oh.

zondag 23 juni 2013

Geluk

Ze vroeg het al voor ze goed en wel in de auto zaten en onderweg waren. "Zullen we straks stoppen bij een tankstation?" Hij moest lachen terwijl hij de auto de straat uitreed. "Dat vind ik altijd zo'n leuk momentje!" Haar enthousiasme was niet gespeeld. Hij zette de radio aan en zette zijn zonnebril op. "Zeker omdat je weer wat te eten wilt hebben." Het was even stil terwijl hij een kruispunt overstak. "Ja, we stoppen straks wel een keertje. Eerst even een stukje rijden." Ze klapte een paar keer snel in haar handen. Bekend terrein gleed voorbij en algauw zaten ze op de snelweg. "Ik vind het nu al leuk," zei ze. Ze concentreerde zich op de horizon. Ze spraken over de kleuren van de auto's die ze tegenkwamen, het weer en het idee. Ze lachten om elkaars stemmen, de rotzooi in de auto en om niets. Ze kraakten de medepassagiers op de weg af, net als de muziek op de radio. Ze waren onderweg. Hij hield wat politieke beschouwingen. Zij was misselijk en hij zag de Eiffeltoren midden in Nederland. "Serieus, die heb ik hier nog nooit gezien. Stond die er altijd al?" "Geen idee, ik let nooit op."

Het was druk op de parkeerplaats bij het tankstation. Ze renden naar het winkeltje. Hij trok haar voor een auto vandaan. "Je moet zelf eens opletten, je stelt je zo afhankelijk op." "Ik vertrouw jou gewoon volledig!" riep ze. De zon scheen. Mensen picknickten bij hun auto's. Het gras was te hoog en er lag te veel afval naast de prullenbakken, maar er was geen gevaar. Ze betaalde vijftig cent voor het toilet en hij stond tegen de auto geleund te wachten toen ze hard stampend op de tegels van het trottoir terugkwam.

Toen ze hun weg vervolgden, rook hij aan zijn handen. "Dit is de geur van geluk." Ze keek vreemd terwijl ze diep inademde. "Benzine en Red Bull, dan ben je onderweg. Dat voelt altijd goed." Ze dacht nog dat ze deze uitspraak niet moest vergeten. "Dit soort momenten moet je onthouden," zei hij, "wanneer je gelukkig bent." Hij zei het meer tegen zichzelf dan tegen haar. "Ja," zei ze alleen maar.

Onderweg zijn voelde goed.

...




vrijdag 21 juni 2013

Ik dacht

Weet je wat ik dacht?
Ik dacht dat het zou duren
de dagen van de maan
die naar me lacht
en danst als zwevende
confetti, rijst en bellenblaas
of om het even
onder de aanblik
van het idee
dat het zo zou zijn
zo mooi,
zo goed,
zo fijn,
helaas


dinsdag 4 juni 2013

Zwieren

Ik zou je willen schrijven, zingen, schreeuwen
zachtjes door de zakelijke zomerlucht
de woorden die je me leerde
toen ik ze nog niet begreep

Ik zou de dingen grijpen uit de lucht
die er vol van hangt
Knijpen in mijn vuisten
en richten door de avond

Ik zou je willen gooien, grijpen, zwaaien
zwoegen door de tijd
de kogels die je me verschafte
toen ik ze koesterde
als mijn wapenschild

Ik zou je vangen in de lucht
tegenhouden en omarmen
Ik zou je lachen
neerkomend op de grond
gewond geworpen
is het dat ik zwaai
ik zwier




donderdag 30 mei 2013

Nooit meer wachten

Wachtend op de lift
Dacht ik: nooit
Nooit weer
Ik kom hier nooit weer

Het weggaan kon ik
Niet verdragen
Het weggaan
Keer op keer

Wachtend op de lift
Telde ik de verdiepingen
De tijd die ik nog had
Ik telde de tijd
En zoveel meer

Wachtend op de lift
Moest ik me vermannen
Niet achterom te kijken
En terug te rennen

Het afscheid
Tot de volgende keer
Onbekend nog
Deed zo’n zeer

Wachtend op de lift

Op en neer
En
Heen en weer
Wachtend
Op de ommekeer 

dinsdag 28 mei 2013

Onder de huid, zonder zorgen

Zijn enthousiasme klonk gematigd. En alleen als ze ernaar vroeg. Dat dus. Het was als een retorische vraag waar geen ander antwoord op kon volgen. Hij kon er net zo goed geen snars van menen. Het kwam niet vanuit hem. Het kwam uit haar. Zij trok zijn enthousiasme uit hem, zodat ze eigenlijk naar zichzelf luisterde. Ze had te veel, een hoge dosis, maar of hij weinig had, dat wist ze niet. Misschien wel meer, maar uiten deed hij niet. Hij sloeg het in de grond en nagelde het vast, zichzelf erbij. 

Ze vroeg zich af wanneer het begonnen was. Hij kon zo niet geboren zijn. Een kind kon zo niet zijn. Een kind moest krijsen, springen, gillen. Tot het een keer ophield. Hij tenminste wel. Ze had hem nooit anders gekend. Ze kende van hem geen enthousiasme, trots of ongeremde vrolijkheid. Ook geen ongeremde boosheid overigens. Ongeremd verdriet evenmin. Ze kende hem alleen geremd. Ze herinnerde hem niet.

Het was of hij gevallen was en blijven liggen. Niemand had hem opgeraapt. Hij deed of het hem beviel, daar op de stenen grond, koud en klam, maar stijf. Hij overtuigde mensen. Zij snapte de mensen niet. Ze snapte hem ook niet. Bescherming, zou een ander haar vertellen. Bescherming was het, niets dan dat. Het leek haar maar saai. Saai en nep. Zo voorzichtig nep. Zo kon een mens niet zijn, niet echt. Niet altijd nu tot nooit.

Ze wachtte op de uitbarsting, sneed zichzelf en hield verborgen. 

zaterdag 25 mei 2013

Tonio

Ik voelde me een indringer. Ik voelde me een dief in het huis van wildvreemde mensen. Ik kon al hun persoonlijke bezittingen aanraken en desgewenst meenemen. Het was of ik buiten hun medeweten hun leven leerde kennen, terwijl zij me dat nadrukkelijk gevraagd hadden. Voor mijn ogen voltrok zich hun geschiedenis. Hun foto's aan de wand, de geur van de kleding in hun kasten en de aanblik van hun voedsel in de koelkast. Hier mocht ik niet zijn. Zachtjes, op mijn tenen, sloop ik door de vertrekken. Ik hoorde mijn hart bonken. Het wilde eruit. Uit mijn lijf en uit dit huis. Het waarschuwde me. Als ik geluid maakte, zou ik de wetten van privacy overtreden. Alles moest ik bekijken, ruiken, proeven. Ik moest horen wat de omgeving me te zeggen had. Ik moest luisteren met mijn ogen wijd open. Ik moest het voelen tot ik bijna stikte. Ik was een indringer. Desondanks voelde ik de noodzaak van mijn aanwezigheid. De absolute noodzaak van dit bezoek.

Het zou bruut zijn te vertrekken en de deur achter me te sluiten. Ik zou te veel met me meenemen. Ik zou een leven stelen, terwijl dat al weggenomen was. De uitnodiging had een dwingend karakter gehad. Nu ik er was, en zelfs daarvoor, kon ik dat niet negeren. Uit elke deur die open stond, uit elk raam dat geopend was en uit elke kier van het huis die ook maar het kleinste beetje doorgang naar buiten verschafte, kwam een noodkreet. De lucht in het huis schreeuwde. Het kon niet weg, het kon nergens heen. Ontsnappen noch vluchten. Het enige dat het kon doen, was delen. Binnenlaten en delen, zodat er zuurstof kwam om te overleven. Frisse lucht van buiten werd mee naar binnen genomen door de gasten die indringers waren. Ze hadden hier niets te zoeken, net als ik, maar ze hadden de stem gehoord. De stem die boven het persoonlijk verdriet uit stak. 

...

Bekijk hier de uitzending van Collegetour met A.F.Th. van der Heijden.

donderdag 23 mei 2013

Gemaskerd bal

Als hij de ruimte inkwam, merkte ze het altijd direct. Het was of ze zijn aanwezigheid voelde nog voor ze hem zag. Zijn aantocht was voldoende. Onopvallend zochten haar ogen de ruimte af en ze had altijd gelijk. Ze deed of ze hem niet zag tot hij naar haar toekwam. Hij kwam altijd naar haar toe. Dan kon ze niet anders dan hem aankijken. Zijn ogen zogen die van haar naar zich toe. Als hij haar tijdens zo’n gesprek even aanraakte, ging er een schok door haar heen. Het duurde altijd te kort. Het was moeilijk de balans te vinden. Ze wilde verdrinken in zijn aandacht, maar het kon niet. Hij wist het ook en het was of ze een stilzwijgend verbond hadden gesloten alleen met hun ogen te spreken. De woorden die ze spraken, kregen nooit de kans écht ergens over te gaan. Toch wist ze dat hij haar begreep en zij hem.

Ze voelde een misplaatste jaloezie als hij zijn aandacht aan iemand anders schonk en ze hield dat altijd nauwlettend in de gaten. Soms zonderde ze zich af. Buiten hapte ze naar frisse lucht en ademde diep in voor ze de ruimte weer inging om zich te vermannen. Ze haastte zich. Ze vervloekte zichzelf erom.

Als hij tijdelijk de ruimte verliet, bleef ze naar de deur kijken tot ze hem weer zag verschijnen. Wanneer het tijd was om afscheid te nemen, was dat het enige moment dat ze hem niet aan kon kijken. Ze bleef onrustig zo lang hij in de buurt was en nog dagen daarna voelde ze de echo. Dan was het of ze een enorme kater had. Hij was weg en contact zoeken kon niet. Ze was chagrijnig zonder reden, ogenschijnlijk.  

zaterdag 11 mei 2013

Innerlijke spoed

Ik zal je rondleiden
door de nacht
en door mijn hoofd
terwijl de stilte
ons omringt
en
tot de ochtend sluit

Ik zal zachtjes
zwarte wolken zingen
en wijzen
naar de takken
op de muur
alles
tot de ochtend slaat

Ik zal ze duwen;
de wijzers van de klok
dit hoeft niet lang te duren
maar het moet
het is de innerlijke spoed
die dwingend groet


zondag 5 mei 2013

Vloeken van verdriet

De wolken. Ze kleuren mijn gemoed. Ze krassen het licht weg van de zon die fel is en krachtig en straalt. Stralend, de zon. Ze is net genoeg. Ik heb haar nodig nu. Ik klamp me aan haar vast, de schijn.

Boos bots ik op ze in. De plukken wit en grijs omringd door blauw dat ik niet zie. Het is jammer dat het geen pijn doet. Ik wil mijn vuisten voelen. Ik wil met mijn handen vechten tot ze bloeden, maar ze zijn te zacht, de wolken. Ze doen me niets. Ik voel ze niet, maar ze kleuren mijn gemoed. Ze maken me boos, en moedeloos. Mijn handen zweven, want ze zijn er niet.

Wat kan ik nog doen nu mijn macht verdwenen is, verloren gaat? Waartoe moet ik me wenden als ik stik in het grijs? Ze wijken niet, de wolken. De verdomde wolken wijken niet. Ik vloek van verdriet. Ze zijn er, als ik er niet om vraag. Ze bepalen mijn dag als ik er niet ben. Ik voel mezelf, maar lopen is zo zwaar en van denken ga ik dood. Herinnering de hel.

Zo erg mis ik jou.
Eerlijk is het niet.
Verdriet.


dinsdag 16 april 2013

Stinkstad

Hijgend hardlopen in de uitlaatgassen
En het grijze stinkende steen
Ontwijken van vuilnis
En graffiti
En gooiende woorden
Op straat

Vallend komen ze neer
Op de kauwgumplekken
En de van urine doortrokken
Stoeptegels
Tenminste:
Als ze jou niet raken

Slalommend door de kogels
Ademhalen
Op het ritme van je voeten
Doorgaan
Tot je stikt

dinsdag 9 april 2013

Verslavingsvoordracht

Het was onmiddellijk te zien als je haar zag en keek. Zodra ze de hoek om kwam, de auto uitstapte, de deur (om het even welke) opende of de drempel over stapte. Ze had weer gebruikt. Of niet. Eén van beide. Neutraal bestond ze niet. Ze was niet gewoon 'zij'. Ze was de gebruiker óf degene die probeerde te stoppen. Ze was onder invloed óf niet. In beide gevallen verslaafd, al werd ze woedend als je dat woord in je mond nam. Ontkenning, afzwakking, goedpraterij, nee zelfs: keuze. Ze geloofde het. Ze hield zichzelf niet voor de gek, want ze meende het. Jou kon ze dus al helemáál niet voor de gek houden. Hoe je dat durfde te beweren. Hoe je zelf zeker perfect was.

De hele wereld om haar heen was net zo verslaafd of dom of blind of doof. Niemand keek, dat zou maar als bemoeizucht kunnen worden opgevat. Niemand keek, stel je voor: de pijn. Niemand keek, want dat zou een spiegel zijn. Als je haar zag en keek, dan was het echter onmiddellijk te zien. Het had meteen invloed op je gemoed. Haar stemming. Niet te missen. Zij was zo overweldigend aanwezig in welke ruimte ze ook was, al was het buiten in het weidse land, al zweeg ze je dood, dat ze je benauwde. Als ze toenadering zocht, dan sprong je weg. Je kon geen deel uitmaken van haar verbond. Haar kinderlijke domheid die volwassen probeerde te doen. Jij was de afstand. Je zou niet gearmd met haar lopen. Je zou te allen tijde naast haar lopen, staan, maar een arm was te veel. Dan was het of ze toestemming vroeg en jij die gaf.

Ze vroeg nooit wat je vond in woorden. Je zou haar met de grond gelijk maken.

Haar verslaving was altijd aanweziger dan jij, wie je ook was. Altijd kwam zij, en dan pas jij. Je zag haar, van dichtbij, maar de afstand was immens. Zodra je keek, of als ze sprak, dan bevestigde ze dat. Ze had gebruikt, of niet. Je walgde van de gewoonte die ze uitstraalde. Van het zelfbewustzijn dat ze dacht te hebben. Ze verbloemde wie ze was. Ze deed zich voor. Je kotste van de schijn.

woensdag 13 maart 2013

Grensbereik

Keihard ertegenin moest je gaan
Keihard meedoen
Maar dan andersom
De weerstand bieden
De boksbal zijn
Die terugsloeg
Schreeuwen moest je
Uit alle macht
Met al je longen
Je moest hem slaand
Tot stilte manen
Schoppen bovendien
Om te laten zien
Dat het je interesseerde
Meer dan een malle moer
Om te horen wat hij zei
Wat hij riep, nee schreeuwde
Door alles heen
Help me dan
Help me
Help

Negeren was des doods
En zachtjes praten ook
Begrijpend knikken
Had geen zin
De tegenstander moest je zijn
De grensbewaker
Met het harde schot
Hij daagde je uit
En wachtte al zo lang

zondag 10 maart 2013

De achterlach

uit de boerenbek

Gemompel verstomt
Gevloek overstemt
Geschreeuw dat
Probeert zijn weg te vinden
Uit de keel
De gortdroge keel
Via tanden en kiezen
De wereld in
Waar niemand is
En blijft
Of zijn zal
Om zich vast te bijten
Zo zinloos
Is het zwoegen
Van dit zwaar verdorven hart

kan je hierom lachen?
hilarisch,
serieus

dinsdag 26 februari 2013

De dingen; de vondsten

“Wat denk je nu?”

‘Niks.’

“Wel.”

Het was even stil.

‘Ik dacht eigenlijk dat aanraking van het gezicht één van de liefste aanrakingen is.’

Ze streelde met een paar vingers door zijn baard terwijl hij dat zei. Ze hield er even mee op toen ze de woorden op zich in liet werken. Ze ging weer verder toen ze besloot dat ze het ermee eens was. Haar hoofd lag op zijn borst. “Ja, je hebt gelijk.” Ze was blij dat hij dat vond, het gaf iets van zijn aard weer waar ze zo van hield. Hij was opmerkzaam, gevoelig, maar vooral rationeel. Hij was het die zulke dingen bedacht en ze naar het bewustzijn bracht door ze onder woorden te brengen. Zíj moest hem de dingen – de vondsten -  laten uitspreken, want anders deed hij dat niet. Ze zag aan hem wanneer het kon. Ze zag aan hem wanneer hij zou beginnen met praten als ze ernaar vroeg. En wanneer niet.  

Wanneer zíj begon met praten – over échte dingen – dan had hij dat al van mijlenver aan zien komen. Ze had een lange aanlooptijd waarin alles er al op wees dat ze zou gaan storten. Eruit, haar hart. Hij zou luisteren en bevestigen hoe erg alles was – want dat was het, altijd. Daarna zou hij zeggen dat ze sterk was en dat ze dat morgen weer zou voelen. Dan lachte ze door haar tranen heen en voelde ze hoe sterk hij was.

‘Waar denk je aan?’ vroeg hij na een tijdje.

 “Aan perfectie.”







donderdag 21 februari 2013

De trui

Hij groette haar enthousiast. Toen ze hem zag, kreeg ze de neiging om hem te omhelzen. Dat de werkelijkheid niet eens in de buurt van een aanraking kwam, maakte niet uit. Ze voelde zich door hem gesteund en dat begon al bij de begroeting. Het was één van de eerste koude dagen en ze zag hem voor het eerst in een trui waar hij anders altijd overhemden droeg. Ze schrok van de uitwerking die de trui op haar had. Het informele gehalte. Zijn hoofd boven de stof leek ineens stukken zachter, vriendelijker. Zijn haar zag er soepel uit alsof het net gewassen was. Ze dacht dat het wel statisch zou worden als hij zijn trui uit zou trekken. Hij glimlachte, zijn ogen leken helderder blauw dan ze ooit had opgemerkt en hij praatte maar door. Hij bleef praten omdat hij wist dat ze een stilte nu niet kon verdragen. Ze zag hem zijn best doen. Hij had het nergens over, maar hij stelde haar op haar gemak. Het liefst wilde ze hem dat laten weten, maar dat lukte niet. Er kwam niets uit haar mond. Soms probeerde hij wat minder over niets te praten en wat meer over wat ertoe deed, maar zodra hij haar ogen zag, had hij het begrepen. Hij moest lachen om haar stelligheid en haar onbeholpenheid. Haar stelligheid dat er niets aan de hand was, terwijl hij zag dat ze uit evenwicht was. Haar onbeholpenheid om daar vervolgens niets over te kunnen zeggen. De ontkenning die de bevestiging in zich had. Hij vroeg wat haar nou zo raakte. Hij vroeg hoe het kwam. Hij leek oprecht geïnteresseerd. Het verwarde haar. Ze zou hem alleen al antwoord willen geven omdat hij was zoals hij was, maar ze zei niets. Ze haalde haar schouders op. Het was de vriendelijkheid die haar raakte. De vriendelijkheid, en niets dan dat. Op zachte toon sprak hij verder, alleen tegen haar. Hij mocht alles zeggen. Het was gepermitteerd. Ze had toestemming gegeven.
Ze hoopte dat hij de volgende keer zijn overhemd weer droeg. 

dinsdag 12 februari 2013

Ouder gemoed

Het was het gemoedelijke dat in zijn karakter was geslopen dat mij zo raakte. Mijn hoofd zat dikwijls vol, te vol voor een hoofd, terwijl ik best een groot hoofd had. Dat zat in de familie. Min of meer. Het was niet zo dat mijn hele familie met buitensporig grote hoofden rondliep. Toch was de omvang van mijn hoofd vaak groter dan die van een ander. Op foto’s zag je dat goed. Zijn hoofd leek echter eerder te krimpen. De wangen waren ingevallen en het was of de diepe rimpels en groeven in zijn voorhoofd een deel volume wegnamen. Zijn neus was riant. Daardoor kwam er weer wat evenwicht. Zijn oren bleven klein, hoewel oren groeien met de jaren. Bij hem leek dat niet op te gaan. Zijn oren bleven bescheiden. Ik wist niet wat dat te betekenen had, hoewel ik er graag een betekenis aan had gegeven. Ik kon slecht tegen dingen zonder betekenis, ook al waren het oren. In principe geloofde ik niet in dingen die niets dan dingen waren. Niets stond op zichzelf. Overal zat iets achter. Dat moest. Mijn hoofd zat dus dikwijls te vol. Nu ik erover nadenk: van zijn haar was ook niet veel over. Dat zou gezichtsbedrog kunnen opleveren. Een hoofd zonder haar leek algauw een stuk kleiner. 

Vroeger had hij een volle haardos, vroeger toen ik klein was. Ergens is het zonde dat ik niet meer klein ben. Mijn moeder bewaart een foto van mij van toen ik klein was. Ze wil herinnerd worden aan die tijd. Aan die tijd en mijn schattigheid. Ze kijkt ernaar als ze boos is om wie ik nu ben. Als ze moeite heeft met acceptatie. Zo kalmeert ze zichzelf. Ik zie mezelf voorzichtig glimlachen zoals ik was toen ik klein was. Mijn vader met de kleine oren en de grote neus zegt dat ik cameraschuw was. Volgens hem is het een wonder dat ik op die foto gekomen ben. Mijn vaders rimpels in zijn hoofd komen door hoe ik was toen ik klein was. Mijn vader kan beter met mij omgaan zoals ik nu ben. Nu, als in: niet meer klein. De heimwee naar vervlogen tijden zoals mijn moeder die kent, is mijn vader vreemd. Mijzelf ook. Dat komt omdat ik me niet meer herinner wat er in mijn hoofd was toen ik klein was. Zo klein als op de foto. Het lijkt alsof ik nooit bestaan heb. Daar kan ik niet tegen. Mijn vaders gemoed bevestigt mijn bestaan. Mijn grote hoofd staart hem aan. De schuwe glimlach is voor haar. Schaterlachend. In mij zit zij, zoals ik in haar, al herkent ze me niet altijd. Dat is wat het doet; de tijd.

zondag 10 februari 2013

Geruste groet

De gemoedelijkheid van
de dagen
en de daken
de weilanden
bedekt met wit

Het onaangeroerde van
het landschap
en de dieren
en de lucht
bedekt met zorgeloos

Ze steken af
tegen
het zorgeloos wit
terwijl ze samenvallen;
de dingen die er zijn

En de strepen
en de stappen
de voorzichtige tred
en de haastjager
leefden er naast elkaar
tezamen
in het beeld
tussen de kozijnen
van mijn raam

En binnen tikt de kachel
van gemoedelijkheid
en geruste groet
De warmte blaast
en ik voel mij omarmd
door deze eenvoud
Zo aan mijn zij
zo zuiver zacht
vannacht

vrijdag 25 januari 2013

Voorbij

Soms is het ineens zo. Voorbij. Sommige dingen hebben een lange aanloop nodig, maar dan is het ook ineens zo. Dan zijn ze voorbij. Althans, dan is dat besef er. Dan voel je het. In feite was het natuurlijk al veel langer voorbij. Maar voordat je je dat realiseert, ís het nog niet zo. Zo kun je heel lang iets in stand houden. Het is immers zoals je het ziet, zelfs als het anders is.

Soms wil je een liedje nooit meer horen. Vanwege de herinnering. Van de begintonen krijg je al jeuk of rillingen. Als de tekst inzet, wil je je handen voor je oren houden en er heel hard doorheen schreeuwen. Als je de melodie te pakken hebt, ben je al te laat. Dan is het gebeurd. Terug. Terug in de tijd. Terug in de herinnering die je wilt ontwijken omdat je hem niet kan gebruiken. Niet nu. De hele dag houd je het in je hoofd tot je wanhopig heel hard andere nummers gaat draaien om dit maar te overstemmen. Maar nummers zonder herinneringen en zonder associaties bestaan niet, dus je maakt een dramatische reis door de tijd waar je moe van wordt en er rest niets dan alleen het nieuwste van het nieuwste te luisteren. Zodat je dat je dan de volgende keer associeert met dit moment dat je uit alle macht probéérde...

De pest is, dat het niet alleen voor liedjes geldt. Gold het maar alleen voor liedjes. Maar nee, het kan zitten in woorden, kleuren, geuren of namen. Het kan zitten in manieren, schilderijen, deuren, plaatsen. Het zit in programma’s, in boeken, in wolken, in ogen, in glazen, in stoffen, in accenten, in blikken, in jezelf, in werkelijk álles. Er is te veel aan die herinnering waar je niet aan herinnerd wil worden omdat het pijn doet in iedere vezel van je lijf. Te veel. En dus is er ook te veel wat je ermee associëert. 

Soms wil je een liedje juist wél horen. Vanwege diezelfde herinnering en diezelfde pijn. Soms is het niet erg. Dan kun je eraan toegeven en dan mag het er zijn. Dan is het oké. Het is van jou. Dat heb je wel geleerd. Ontwijken heeft geen zin. Doe je ook niet. Heus niet. Maar je moet het wel kunnen controleren. Je moet dat moment wel zelf kunnen bepalen. Het kan je niet op ieder moment overvallen. Op sommige momenten kun je het gewoon niet gebruiken, dan ben je met ándere dingen bezig. Dan wil je met andere dingen bezig zijn. Dan wil je je kunnen concentreren op wat er nu gebeurt. Nu, wat niets te maken heeft met toen, al volgt alles elkaar op.

Maar het is zo. Ineens. Het is voorbij. Het is niet nooit gebeurd, maar het is voorbij. De herinnering is niet verdwenen, maar de echo wordt zachter. De echo fluistert naar je: het is voorbij. Het is oké. Luister maar en wind je niet zo op. Laat het zijn. Het is geweest, voorbij.

...




woensdag 23 januari 2013

Afleiding

Ik zie zijn mond. Hij is scheef. Het hele gezicht zit scheef in elkaar, maar de mond is echt scheef. Het is net of hij in zijn linkerwang gehamsterd heeft en met de rechterkant probeert te praten. Het leidt ontzettend af. Ik hoor hoe hij vertelt en vragen stelt. Ik hoor mezelf algemene antwoorden geven terwijl ik de omgeving scan. Hij staat dichtbij. Steeds als ik een stapje opzij doe, stapt hij mee. Hij blijft me aankijken. Ik moet wel terugkijken, af en toe. En steeds stuit ik weer op die scheve mond. Hij drinkt wijn en ik ruik de wijnlucht uit zijn mond terwijl hij praat. Hij staat echt te dichtbij. Ik kijk naar de bar waar de drankjes worden geschonken en ik zie mijn kans schoon. Ik verontschuldig me en zeg dat ik even wat te drinken ga halen. “Wat wil je hebben? Ik haal wel even wat voor je.” Hij begrijpt het niet. Natuurlijk niet. Te dichtbij om te kijken of te luisteren. Gauw roep ik dat dat niet nodig is en dat ik wat andere bekenden zie. Met mijn drankje loop ik de ruimte door. Dan tref ik anderen. Bierdrinkend, maar ik ruik het niet. De weg is weer vrij.

vrijdag 4 januari 2013

De jas

Ik zag een jas
Maar het was een man
Mijn man

In de keuken
Met zijn rug naar mij
Het hoofd naar beneden
Het leek een schim, een geest
Een staande dood
In de nacht
En in zijn winterjas

Hij bewoog
Draaide zich
En sprak tot mij

Ik viel hem in de armen
Van schrik en boos
En hij zei:
“Ik ben terug,
voorgoed.”

Waarom ging zijn jas niet uit?
De dreiging bleef.
En steeg.

Beleving

Van beneden kom ik uit de boot
Maar het dek is niet van mij
Ik laat me vallen in de berm
In het groeiende gras
Gloort het oppervlak
En blaast de wind
Mij leven in

Gewichtsloos omarmt de aarde mij
De zon brandt op mijn gezicht,
Mijn huid, mijn haren, alles
Wat ik bij me draag
Is wakker want
Het water
Wacht

In het water duik ik langzaam onder
En druk mijn ogen stevig dicht
Voor de vissen en de haaien
Die er doelloos zwemmen
Zonder wetenschap
Van de wolken
In de spiegel

Soms duik ik dagen boven onder
In de hemel en de vage vormen
Waar alles zacht is onbekend
Beneden kan ik er niet zien
Ik vaar mijn eigen koers
En laat waaien
Wat er is