donderdag 22 december 2011

Denken door te kijken

Als ze eraan dacht, keek ze. Ze keek vanuit de deuropening. Vanaf de drempel. Ze stond niet binnen en niet buiten. Ze was er niet, maar ze keek wel. Ze zag zichzelf binnen. Soms zweefde ze vanaf de drempel naar het plafond. De deur stond altijd open. Als de deur dichtging, kreeg ze geen lucht meer. Als het raam dichtging, raakte ze in paniek. Maar hoeveel deuren en ramen er ook open stonden, het bleef benauwd, ze kon niet inademen. Niet diep. Uitademen lukte al helemaal niet. Het was of alles binnen bleef. Meer en meer. Voller en voller. Te veel. De onrust groeide, vanbinnen. Door het kijken ging ze denken. Ze dacht maar en ze dacht maar. Maar ze voelde niet wat ze dacht. Het gevoel klopte niet bij de gedachte, al wist ze het. Ze wist niet meer wat ze moest denken. En ze had geen idee wat ze voelde. Ze hapte naar frisse lucht. Buitenlucht. Maar het was alsof er een dikke waas hing tussen haar en de buitenwereld. Het was alsof ze zich wel in de lucht bevond, maar de zuurstof eruit niet kon opnemen. Ze was afgesloten, onzichtbaar afgesloten. Ingesloten. Ingesloten in de wereld die ze zag, maar waar ze niet meer naar kon kijken.
Op een dag brak ze. Ze brak eruit. De ramen aan diggelen, de zuurstof verward om haar heen dralend. Ze moest opnieuw leren ademen. De zuurstof leren opnemen. Soms keek ze nog, maar steeds vaker was ze er, gewoon. Ze kon door het raam kijken en de wereld observeren. Ze stond er middenin.

Ze zag dat het goed was.

dinsdag 6 december 2011

Niets

Ze stak haar hand op om iemand gedag te zeggen en bloosde toen. Ik keek wie het was. Ze keek naar mij en draaide zich lachend om. "Shit," en ze hield haar handen voor haar gezicht. "Wat is er?" vroeg ik, terwijl ik om haar heen liep om weer voor haar te staan. "Nu voel ik me betrapt," zei ze. Schichtig keek ze om zich heen of ze de bekende waartegen ze even daarvoor gedag zei nog zag. "Wie was dat dan?" vroeg ik. "Een collega," zei ze. Het was even stil. "Net alsof ik betrapt ben." Ze moest lachen. Het rood trok langzaam van haar wangen weg. In haar hals bleef het rood het langst zichtbaar. Ik moest ook lachen. Ik moest vreselijk lachen en kon niet meer ophouden. Het was de rosé. En het gevoel. Zij. Ze praatte maar door: "terwijl diegene natuurlijk gewoon denkt dat ik hier met een vriendin ben." "Precies," zei ik. "Er is natuurlijk ook niets te zien," zei ze, meer tegen zichzelf dan tegen mij. "Nee," zei ik desondanks, "niets."

woensdag 30 november 2011

Zijn

Als je in een bootje zit te roeien,
En je komt niet vooruit,
De wind staat tegen
En je kracht is op

Probeer dan niet zo hard
En wacht maar wat
Rust maar uit
Totdat de wind je pakt

En meevoert
naar de golven
En de vissen
En de wonderen
Van het water
Diep

Zoals het komt
En gaat
Het is
Zoals het is

En als je dan de kade ziet
Zwaai dan naar het riet
Je bent er weer
En méér

Thuisgekomen
Van je boeien
Beweging
Is pas vrij

woensdag 16 november 2011

Mama

Ik droomde dat ik huilen moest
De tranen kwamen, gingen
Stroomden over mijn wangen
Mijn lichaam over
Omdat ik wist
Dat het niet lang meer duren zou
Dat zij hier was, deze vrouw
Deze moeder van mijn leven
Het verleden lang voorbij
En nooit meer terug
Nooit meer zoals zij
Ik was klein
En zij stond met mij
Zoals een moeder met haar kind
Zij droeg mij op haar arm
Haar tranen kwamen
Uit mijn ogen
Gingen
De wereld in

donderdag 10 november 2011

Fine

Het was grappig, hoe aanwezig ze altijd was, terwijl ze daar niet mocht zijn. Terwijl ze daar niet was. Ironisch, zou Alanis zingen. Net zo ironisch was het dat ze altijd aan dat liedje dacht, als ze aan die plek dacht, toen de zon scheen. Omdat ze het daar gezongen had, toen ze er even wel was, maar niet echt. Buiten. Zonder hoeken. Daar voelde ze zich vrij. Daar was ze vrijer dan hem. En ze zong over lepels, terwijl ze een mes nodig had. Een mes om zichzelf te bevrijden, weg te snijden uit de situatie. Een mes om de pijn weg te snijden van de plek. Maar net zo goed een mes om de pijn te voelen. Binnen te laten dringen. Het was daar dat ze het besefte. En het bood haar troost. De gedachte dat ze het wist troostte haar, gek genoeg. Het was geen prettig weten, maar het maakte dat ze erboven stond. Ze zag zichzelf lopen. Zingend. En het klopte niet, maar dat gaf niet. Ze lachte. Dansend. Het was precies goed. En toen de deur open ging, en ze de rommel zag, kon ze erom lachen. Het was alsof ze naar een documentaire keek. En ze vermaakte zich met kijken. Op haar ironische manier. Ze lachte hem uit, terwijl ze zag hoe ze niet tegen hem op kon. Het was de grootste paradox die ze kende en ooit kennen zou. Ze keek naar iets wat ze niet snapte. Ze keek naar hoe ze niet zou zijn, maar het bewijs voltrok zich voor haar ogen. Het was in de herhaling dat ze het voelde. En het voelen voelde goed. Mocht. Het mes maakte krassen. Beter. Best.

...

dinsdag 8 november 2011

Tekort

De korte zin wordt langer. Hij moet er komen, want dat is, zoals het hoort, normaal. En zonder normaal, zonder horen gaat het niet, zelfs blind. Onder geen beding, niet mogelijk, nu niet nooit. Maar ze weet niet hoe het werkt. Ze heeft geen zinnen leren maken, spellen evenmin. Spelen. Woorden kreeg ze naar zich toegesmeten, de zin meteen erachteraan. Het stond er, voor ze wist. Voor ze zelf had kunnen bedenken, voor ze zelf bedacht. De zin was nog abstract, maar werd te snel concreet. Ze was het niet, op schrift. Vóór bedenken komt wensenwillen en ontdekken, maar daarvoor was geen tijd. Schrijven moest ze, want halve zinnen kunnen niet bestaan, onder de maan. Halve zinnen blijven malen, halve zinnen moeten af. Zinnen zetten op. Voller dan kan zijn. Voller dan te lezen is. Lezen nooit bedoeld. Voelen, maar alleen fysiek. De inkt die bloedt. Herschrijven zal ze, want ze moet. Ze wacht, tot de zin komt. Zoals het gaat zoals het hoort, normaal. Met ogen dicht. Erbij en zelf bedacht. Gewild.

Alles willen laten
Gaan
Om de eenzaamheid
Van het moment
De leegheid
En de vlucht
De terugkeer
Is het hardst
Van alles
Willen
Laten gaan
Het interesseert
Haar niet
Zo
Veel
Te
Veel
Tekort

maandag 24 oktober 2011

Grenzeloos

"Eb en vloed
en eb en vloed
zoals het gaat
zo is het goed"
- Uit: De vuurtoren, Koos Meinderts en Annette Fienieg

Ze zaten aan zee. In een land ver weg waar ze de taal hoorden, maar niet verstonden. "Heb je hier ook eb en vloed?" vroeg ze, terwijl ze naar de horizon tuurde. "Natuurlijk heb je hier óók eb en vloed," zei hij, terwijl dat niet zo vanzelfsprekend was. "Het leven bestaat niet zonder eb en vloed." Ze liet wat zand uit haar handen tussen haar vingers doorglijden. "Oké," sprak ze gelaten, geen zin om een weerwoord te vormen. Samen lachten ze even om die reactie.
"Er is niets dat stopt bij grenzen," zei hij even later, serieus nu. Hij staarde naar het hoopje zand dat haar handen hadden gevormd door het zandspel. "Mijn liefde voor jou is ook grenzeloos," zei zij, en ze veegde het hoopje zand weer glad zonder te kijken. Hij had zijn blik op hetzelfde punt aan de horizon gericht als haar. "Dat moet je niet zeggen," vond hij. "Waarom niet?" De wind maakte een suizend geluid alsof het zich ook in het gesprek wilde mengen. "Jij kunt niet zonder grenzen." Haar lach ging in de wind verloren. "Daarom kan ik het zelf nog wel zijn, grenzeloos." Ze had geen idee wat ze daarmee bedoelde, maar ze wist dat ze hem uitdaagde.
De wind ging liggen terwijl ze verder sprak. "Het is maar goed dat eb en vloed bestaan. Ook voor jou." Ze keken naar het water dat steeds verder hun kant op kwam. "Ik zie niet zoveel verschil," zei hij. Ze glimlachte omdat ze het wist. Hij draaide zich naar haar toe. "Jij ziet veel meer grenzen dan er zijn." "Hoezo?" vroeg ze terwijl ze even opzij keek. "Wijs maar aan dan," zei hij toen hij zijn hoofd weer naar de zee draaide, "waar is de grens tussen zee en land?" Een tijd lang was het stil. "Soms heb je ook géén getij" zei ze uiteindelijk. "Oké," zei hij ditmaal. Ze lachten, weer. "En dan is het gewoon goed zoals het is," klonk het van haar kant. Hij knikte. Het water kwam dichter en dichterbij en hij zei: "Zullen we doen wie het langst durft te blijven zitten?"

woensdag 19 oktober 2011

Dat moment

Silhouetten aan de lijn
De schemer en de zon
Armen hoog
het leven in
Dansend van verlang
en

Ongrijpbaar los
In de lijnen rondom
De tallozen;
De nummers
En de cijfers
Die bedwingen
Alles
Wat nog kon

Een kras
Bovenin
Van waar het reikt
Naar silhouet
Maar het hart
Maakt muziek
Binnenin
Het uit

En
Ver
Dooft
De tijd

donderdag 13 oktober 2011

Gedender

Denderend de trein
In een rode lijn
Een leven voorbij
Ik zei het al eerder
Wist ik het toen
Of was het al
Voorbij
Voordat het begon

De zon
In mijn ogen
Te fel om
Te dragen
Mijn ogen
Te zwaar

Te veel
Om te zien
De lijn
Gaat scheef
Mijn hoofd
Valt om
Voorbij
De zon

En onverstoorbaar
Verder
Dendert de trein
Door
De stiltecoupé

Meneer
Als u wilt bellen
Gaat u dan daar
Er dendert al
Genoeg
Van hier
Naar daar