zondag 30 december 2012

Mascara lekt

Het dekbed:
donkergroene strepen
rood en wit, maar
zwart omlijnd
de kleuren grauw

Het knuffelbeest,
een aapje blauw
Met slappe armen,
benen en de staart
Heus wel zacht

Het spelletje met de vader
‘Apie’ onder de dekens
en dan
onverwacht tevoorschijn halen
Heen en weer springend
over de strepen
Gillen, lachen van plezier
Aapje houdt de wacht

Het kleine kamertje,
de muren wit
Tegenover de ingang
het raam
Zwart omlijnd
Kozijnen
In het licht van de nacht

Haar wimpers huilen
Als ze knippert
In een waas
Is alles zwart omlijnd
Haar mascara lekt
Over de dagen
Als ze lacht

vrijdag 28 december 2012

Botsing van belangen

Vouwen van verlangen
Gestreepte overhemden
Ze bleven hangen
In de streken
Van de verzorging
Van de vrouwen
Van vriendschappelijke vrees

Gestreken glimlachen
Gingen voorbij
De plooien
Die niet weg te vegen waren
Of te denken
De gebrande plekken
En de gaten
Waren leeg,
Vergaan,
Vergeten.

Hun ogen botsten
Van verlangen
En tegengestelde belangen
Bleven besluiteloos
Hangen

zaterdag 24 november 2012

Ontluisterend

Ik heb één heel levendige herinnering aan mijn grootouders. Het is de enige herinnering waarin ze samen voorkomen. Het enige dat ik zeker weet, is dat ik jonger geweest moet zijn dan zeven. Mijn grootvader overleed toen ik zeven was. Mijn vermoeden is dat ik zelfs jonger dan vijf was, omdat ik in mijn herinnering toen nog het enige kind van mijn ouders was.

Ik herinner me dat het avond was, of nacht, in mijn kinderlijke tijdsbeleving. Ik was uit mijn bed geslopen, had mijn kamerdeur geopend en was zachtjes de trap afgegaan naar beneden. Er lag vloerbedekking op de trap. Ik kon mijn gang dus vrij zachtjes maken op mijn blote voeten. Als ik te veel geluid maakte, wist ik dat mijn ouders naar boven zouden komen voor ik beneden was. Eenmaal in de gang zag ik mezelf voorbij komen in de spiegel, tussen de kapstokken. Aan alle kanten hingen jassen. Het glas van de spiegel was mat. Een donkere gloed overschaduwde je altijd. Hij was omlijst met hout, ingebouwd tussen de kapstokken. Het hout was geverfd, in een kleur die het midden liet tussen lichtblauw en grijs. Op de donkere spiegel zaten bovendien wat zwarte spikkeltjes. Links ervan de voordeur. Achter het geribbelde glas zag het zwart. Het was echt nacht. Er brandde een klein lampje op de gang. Vanuit de woonkamer, achter de deur rechts naast de kapstokspiegel, hoorde ik geluiden afkomstig van een televisietoestel. Ik had nu bijna mijn doel bereikt. Zodra ik in die kamer was, bij mijn ouders, had ik het gered. Ik zou dan even mogen opblijven. Ik zou een droom verzinnen die ik had gehad en die mijn wakkerheid zou verklaren. Ik verheugde me op de minuten die zouden volgen. Ze waren binnen handbereik. In de kamer zou het warm zijn. Nu rilde ik, op mijn blote voeten, in mijn kinderpyjama. Ik greep met mijn hand naar boven en trok de deurklink naar beneden. Zachtjes duwde ik de deur verder open.

Wat er toen gebeurde, had ik niet voorzien. Ik stond oog in oog met mijn grootouders. Ze stonden meteen rechts van mij, voor de boekenkast. De boekenkast was zwart. Mijn grootouders droegen winterse kleren, in grijstinten. Hun haar had dezelfde kleur als hun kleren. Mijn grootvader was een grote, lange man. Zijn hoofd was groter dan een gemiddeld hoofd, een beetje uit proportie, en zijn haar was eigenlijk meer wit dan grijs. Mijn grootmoeder had haar bril op en ze stond met een geopend boek in haar handen waar ze van opkeek. Ze zag er jonger uit dan hoe ik me haar meestál herinner. Het leek alsof ik mijn grootouders gestoord had in hun stille samenzijn. Ik mocht hier niet zijn. Ik voelde me een indringer. Ze keken verbaasd. Alsof ze vergeten waren dat ik er ook nog was, in dit huis. Alsof ze vergeten waren dat ze op een kind aan het passen waren (misschien wel twee, ik weet niet zeker of mijn jongere broertje toen al het levenslicht had gezien). Alsof ze niet gedacht hadden dat een slapend kind ooit wakker zou kunnen worden. Ze keken me behalve verbaasd ook afwachtend aan, alsof ik ieder moment de reden van mijn bestaan beargumenteerd zou kunnen verklaren.

Ik schrok zó van hun geschrokkenheid en de blik in hun ogen dat ik meteen doorrende, zodra ik ze zag. Mijn herinnering geeft me een beeld in slowmotion. Ik rende diagonaal de kamer door, naar de verste hoek, links van hen. In die hoek ging ik tegen de muur op mijn hurken zitten. Mijn armen sloeg ik om mijn knieën. De hoek voelde echter te kaal, dus ik stond algauw weer op en rende verder, naar de overkant, waar de eettafel stond. Onder de eettafel ging ik tegen de muur zitten. Ik maakte me zo klein mogelijk. Ik weet niet of ik wat gezegd heb of dat ik gehuild heb. Ik weet niet meer hoe het verder ging en ik weet niet meer wat mijn grootouders toen gedaan of gezegd hebben. Ik weet niet meer hoe ik weer terug in mijn bed beland ben en of dat lang geduurd heeft. Ik weet niet of ik mijn ouders die avond nog gezien heb.

Het enige dat ik me herinner is de blinde paniek. Die blinde paniek van een kind dat niet aantreft wat het verwacht. Een kind dat zijn ouders niet ziet. Een kind dat in een volkomen onvoorbereide situatie terechtkomt. Een kind dat wanhopig probeert beschutting en veiligheid te zoeken. Een kind dat zich als een kat in het nauw voelt. Een kind dat bovendien de grootst mogelijke woede op voelde komen. Mijn ouders waren zomaar weggegaan. Ze hadden het mij niet eens verteld. Ze hadden me niet gezegd dat er vanavond oppas zou zijn. Ik voelde me bedrogen, zo klein als ik was. Voorgelogen. Ze hadden me gewoon naar bed gebracht en gedaan alsof er niets aan de hand was. Ze hadden iets voor me verzwegen. Iets wat voor mij belangrijk was. Iets waardoor ik anders nóóit naar beneden zou zijn gekomen. Ze hadden me moeten waarschuwen. Boos en geschrokken zat ik onder de tafel. Teleurgesteld bovendien. Verdrietig en alleen. Ik wilde niet dat mijn grootouders me zo zouden zien. Ik wilde onzichtbaar worden en verdwijnen. Ik wilde niet de confrontatie die nu zou volgen.

Het was of ik op dit moment voor het eerst besefte dat er zich in de wereld dingen afspelen waar je geen weet van hebt. Een schrikbarende ontdekking; dat de wereld méér is dan het deel dat jij ziet en beleeft. Het was daar, op dat moment en op die plek onder de tafel, dat ik dat bedacht. Ik werd me bovendien ineens bewust van de leeftijd van mijn grootouders en dat zij al heel veel meegemaakt moesten hebben. Dingen waar ik geen weet van had. Ik besefte ineens dat ik het nooit zou omvatten; alles. Ik besefte dat ik nooit alles zou weten en dat ik nergens ooit écht controle over zou hebben. Ontluisterend. De teleurstelling naar mijn ouders toe was groot. Zelfs zíj zouden me niet alles (kunnen) vertellen..

Reflectie

Nooit had ik gedacht
Dat wat je me spiegelen zou
Je graf zou zijn
Terloops, zomaar, van opzij
Terwijl we liepen
In de winter van het tij
Over alles in het nu
Het verleden was voorbij
De toekomst kwam niet meer
Dat wist jij
En ik nog niet
Zo goed

vrijdag 2 november 2012

De overdracht

Het kindje was het vleesgeworden verdriet. Bewegend, ademend, huilend, om eten schreeuwend, kijkend, horend, voelend. Om aandacht vragend en meer. Alles was te veel. Elke beweging die het maakte. Het verdriet had leven gevat en zou voor altijd voortbestaan.

Het had er niet mogen zijn. Het had niet zo groot mogen worden. Het kind niet, de hele situatie niet. Het was het enige dat ze kon denken. Ze kon dit verdriet geen leven geven. Het zou zelfverloochening zijn. Voor dit kind voelde ze niets dan afkeer. Niets. Ze zou niet met zichzelf kunnen leven als ze dit kind ook maar van een enkele basisbehoefte voorzag. Ze kon het niet. Het was onmogelijk. Het was niet iets dat ze kon ondergaan, zoals ze met al het andere kon. Het was niet iets waarbij ze kon vluchten in haar wereld. Het zou niet voorbij gaan, nooit. Ze zou actief moeten zorgen, de rest van haar leven. Ze kon het niet. Dat dit leven uit háár lichaam was gekomen, vond ze weerzinwekkend. Het ergste wat had kunnen gebeuren, had plaatsgevonden. Door dit kind aandacht en toekomst te geven, gaf ze toe aan hem. Ze zag zijn grijns al voor zich. Ze zag zijn speelse, goedkeurende blik al. Zijn ogen die haar niet zagen. En het was ook nog een meisje. Ze vervloekte haar vrouwelijkheid. Hij mocht dit kind niet zien, nooit. Niemand. Ze snapte niet dat het überhaupt nog leefde. Hoorde het inmiddels niet al gestorven te zijn? Hoe lang duurde zoiets? Even had ze gedacht dat het vanzelf zou gaan, als ze niets deed. Het zou vanzelf sterven en niet meer bestaan, maar het geluid hield maar aan.

Ineens wist ze het. Ze moest naar de rivier. Het was de enige plek. Het was de plek waar ze altijd haar toevlucht zocht. Ze kon uren aan de kant zitten, in het stugge gras, kijkend naar het water, luisterend. Het was de enige plek waar ze weg was. Nu het kind weg moest, was dat de enige plek. Het kind moest weg –opdat het nooit bestaan zou hebben- en de rivier zou haar troost bieden. Ze zou net zo lang blijven luisteren tot ze zeker wist dat het voorbij was. Ze zou de stroming volgen met haar ogen. Ze zou de stroming voelen. De wind zou haar omarmen. Het kolkende blauw van het niets zou haar geruststellen. Haar geheim zou veilig zijn. Haar geheim zou nooit bestaan hebben. Ze zou haar pijn laten meevoeren. Ze zou haar verdriet verliezen. Ze zou het overdragen. Over aan de rivier. Haar tranen zouden niet opvallen. Niet in de rivier.  

maandag 15 oktober 2012

"Goeie dagen"

“Buikje buikje, wat heb je goeie dagen.” Ik hoor het hem nog zeggen terwijl hij met zijn gerimpelde werkershand over de zachte grijze stof van zijn trui strijkt, over zijn buik. Daarbij kijkt hij ons trots aan. Hij heeft een zelfverzekerde glimlach om zijn mond die iets bemoedigends heeft. Zijn grijze haar in domineesscheiding schudt heen en weer. Als het licht van buiten erop valt, lijkt het statisch. Zijn ogen twinkelen, want hij weet al wat er komen gaat. Hij wacht erop. Wij doen hem na, klein als we zijn. We wrijven over onze buiken en roepen schaterlachend dat onze buik zulke ‘goeie dagen’ heeft. Het is een vast ritueel geworden, na de maaltijd. Ik zie dat hij gelukkig is als hij ons zo ziet.

Hij schuift de diepe soepborden, waaruit we na de soep ook de rest van onze maaltijd nuttigden, richting het midden van de tafel en kijkt goedkeurend hoe zij haar stoel naar achteren schuift en opstaat om de borden van de tafel te halen. Het zeil blijft over. Wit met bloemenprint. Ze heeft haar schort de hele maaltijd voorgehouden, maar knoopt deze nu los. Ze hangt het aan het haakje naast de handdoeken en de theedoeken, bedachtzaam met een lach. Zijn handen rusten op het tafelblad. Je kan zien dat ze zo sterk zijn dat ze met één soepele beweging de tafel omver zouden kunnen krijgen. 

Dan is het voor ons tijd om in de grote groene badkuip vol sop te verdwijnen. Nadat we droog gewreven zijn, mogen we nog even opblijven, om te puzzelen of te luisteren. Het kleed ligt weer over de tafel, het zeil uit het zicht. We luisteren maar al te graag naar zijn verhalen, wanneer de kamer slechts summier verlicht is. Het voelt meteen heel laat. Het kleed is groot en zwaar en groen. Alleen zijn stem klinkt en zijn verteltalent met de echo tot in uren, dagen, jaren. Als ik mijn ogen dichtdoe, hoor ik hem levensecht, vlakbij. Soms klappen zijn tanden hard op elkaar, vanwege zijn gebit. Gedurende het verhaal wordt het een ritme waar je aan gewend raakt. Deinend op de geluidsgolven van zijn woorden vallen we in slaap.

Ik voelde me altijd aangemoedigd te dromen wat ik wilde, in de goeie dagen. 

donderdag 11 oktober 2012

Honing

Ik had eens een minnaar die me Honing noemde. Ik was zoet en blond als goud en blijven plakken. Kneedbaar, maar onnavolgbaar, zo typeerde hij mij. Hij keek graag naar de bochten waar mijn lichaam zich in wrong als hij me probeerde te doordringen. Hij wilde mijn gewicht gelijkmatig verdelen over dat van hem, maar ik was te licht, te zacht, te zoet. Ik gleed van hem af, telkens als hij me probeerde te vangen. Het was ons serene samenspel. Ik omarmde hem met al mijn ledematen, als was in zijn handen kon ik zijn, maar nooit voor lang. Ik voelde me voortvluchtig naar mijn aard, terwijl het goed was in zijn kas. Hij hield me vast tot ik was weggedropen. Hij proefde me en at me op, als drop. Ik zag mezelf plakken in zijn ogen, glinsteren van blond. Hij bleef naar me kijken, kreeg geen genoeg, tot de morgenstond. Soms zette hij me voor de spiegel, met een lamp erop. Dan ging hij achter me staan en kamde mijn haren. ‘Mijn gouden honing’, fluisterde hij dan zacht. Ik waande me in verloren tijden. Het was mooi, beweeglijk en beter dan goed, maar er kwam een einde aan elke nacht.

Altijd als ik de eerste zonnestralen zie, denk ik aan hem en die momenten. De passie van een potje honing in de kast. Ach. Dan lepel ik de honing naar mijn mond. Hongerig, maar in de wetenschap, dat hij nooit meer terugkomt.

dinsdag 2 oktober 2012

Gerechtvaardigd verlangen

Ze had zichzelf vaak onzichtbaar willen maken, terwijl ze het eigenlijk al gemaakt werd. Die tegenstrijdigheid verwarde haar dusdanig dat ze zichzelf niet meer zag. Ze zag alleen nog maar hoe ze gezien werd. Hoe ze in haar hoek geduwd werd, onzichtbaar weggemoffeld. Om haar ten slotte daarop aan te vallen, terwijl ze er niet meer uit kon komen, al zou ze willen. Ze was er te hard ingeduwd. Harder dan ze hebben kon. Harder dan de wereld die ze kende en harder dan de vlucht waarop ze was. Heel lang is ze blijven zitten, omdat ze zich niet verroeren kon. Ze probeerde de hoek te verfomfaaien en weer glad te strijken en dan andersom van voor af aan. Het duizelde haar meer dan duizend dagen. De mogelijkheid om weg te gaan kwam niet in haar op. De hoek was afgesloten met de blikken. De blikken en het oordeel, het gelach. Een hard gelag. Ze moest wel blijven waar ze was. Ze moest verdedigen waar ze was. Het verlangen rechtvaardigen. Het verlangen om te vliegen en te gaan, waar niemand anders zou staan. Het verlangen om de wereld te verkennen. Hoe koud en donker het er ook was, hoe klein ze zich er ook voelde, hoe onzichtbaar en vergeten, het was háár hoek. Haar donkere hoek. Het was een hoek die niemand kende. Een hoek die anders was, uniek. Ze onderscheidde zich en voor dat onderscheid moest ze vechten. Ze vocht om gezien te worden, maar ze werd gezien door blikken die haar doodden. Blikken die haar monddood maakten. Ze werd te kijk gezet. Voortaan moest ze elk verlangen rechtvaardigen. Voortaan moest ze vechten tegen falen. 

zondag 30 september 2012

Uit alle macht

Naast zijn vader zat hij, het kleine jongetje. Zwart trainingspak. Witblond haar. Het gezichtje bleek en ingedeukt. Zijn schedel had rare vormen. Zijn neus was breed en plat. De ogen lagen diep in hun kassen, blauw omrand. Niet van gevecht, maar van leven, hoewel je een onderscheid daartussen kan betwisten. Zijn vader was groot en breed, maar zijn houding klein en zwak. Onopvallend. Zijn houding zou hem fysiotherapie kosten. Het was of hij zich wilde verontschuldigen voor zijn aanwezigheid. Zijn lijf zat hem in de weg. Het was te groot voor zijn bestaan. Groter dan hij dragen kon.

Ze zaten samen op een eenpersoonsplek. Het jongetje streelde met zijn vlakke hand zijn vader over zijn rug. Het was een troostend gebaar, maar het had iets onwerkelijks. Keek je nog een keer, dan hield de hand zich stil op de rug en legde het jongetje zijn hoofd tegen zijn vaders bovenarm. Na een tijdje begon hij om zich heen te kijken en te praten. Te kletsen om zijn vader –en zichzelf- afleiding te geven. De vader bleef met gebogen rug naar zijn knieën staren. Zijn bruine leren jas bood bescherming noch verhulling. Het jongetje gooide zijn hoofd tussen dat van zijn vader en diens knieën. Hij probeerde omhoog te kijken, in zijn vaders ogen, maar deze zeiden niets. De man bewoog zich niet. Nauwelijks.
De lege blik zag je weerspiegeld in de ogen van het jongetje, ver weg. Het jongetje bleef echter om zich heen kijken om zijn ogen te vullen met indrukken, krampachtig bijna.  Toen stonden ze op. Het jongetje pakte de hand van zijn vader en ze sjokten weg. Uit alle macht.

...