zondag 5 december 2010

Stilte naast de storm

Hij was gaan wandelen langs de kust. Het natte zand voerde hem langs de eindeloze zee. Hij wilde erin verdwijnen. Zich mee laten voeren met de golven, om tegelijkertijd tegen de stroming in te zwemmen. Het uitzicht over de zee was oneindig. Uitzichtloos. Hij schopte tegen de steentjes en schelpjes die op zijn pad verschenen en in zijn hoofd stormde het. De zee was als de stilte naast de storm.

Het was er stil, op dit uur in de nacht, en zo donker dat hij zijn eigen voeten nauwelijks zag. Hij hoorde zichzelf niet lopen terwijl hij zijn voeten voor elkaar bleef plaatsen. Een onregelmatig tempo. Onbewust van zichzelf. Zijn blik naar de grond.

Hij voerde de spanning op, alleen in dit verre land. Met haar. Op zoek naar prikkels. Nonchalant was hij haar leven binnengewandeld en ze was gebleven. Hij had zich alleen maar mee laten voeren. Nu wilde hij zwemmen. Hard, zodat het water alle kanten opspatte. En alleen, zodat hij kon schreeuwen zonder iemand ermee lastig te vallen. Keihard, zodat het alles overstemde. Hij werd zenuwachtig van de stilte. De rust die zij bood maakte hem alert. Argwanend, op zoek naar het addertje onder het gras. Dat moest hij bedwingen, tegenhouden. Het kon overal vandaan komen. Hoe harder hij zwom, hoe sterker de stroming echter werd. Weer werd hij meegevoerd. Het dreef hem tot wanhoop. Keer op keer.

“Waar was je nou?” Hij zag het meteen toen hij de slaapkamer weer binnen kwam. Ze was in alle staten, had zich ongerust gemaakt. Een traan gleed vanuit haar ooghoek over haar wang tot aan haar mondhoek. Was hij zo lang weg geweest? “Je had je telefoon niet bij je!” Onwennig keek hij om zich heen. Het licht brandde fel. Ze stond naast het onbeslapen bed en keek hem vragend aan, smekend bijna. Hij stamelde. Zijn stem leek van ver te komen. Het geluid nauwelijks herkenbaar. Hij hoorde zichzelf niet. “Even naar het stránd?” schoot ze uit. “Dat is hier hartstikke ver vandaan! En toen ben je daar ook nog gaan lopen? Wat heb je dan al die tijd gedáán daar?” Hij kon het haar niet vertellen, maar voelde zich schuldig dat hij haar helemaal vergeten was. Ze sloeg haar armen om hem heen en hield hem stevig vast. Hij verborg zijn gezicht in haar haren, rook haar zoete geur, en beloofde zichzelf zoiets nooit meer te laten voorkomen.

Toen ze lag te slapen, overspoelden de golven hem. Krachtig sloegen ze tegen zijn lichaam, zogen hem mee en duwden hem weer boven. Het water borrelde, kolkte, maakte een hels kabaal. Hij hapte naar adem. Hij verlangde zo naar haar. Ze was zo ver weg.

...


Geen opmerkingen:

Een reactie plaatsen