vrijdag 9 september 2011

De Breed-slis-lach

Ik dúw je met je tanden
In de geelzure citroen
Om te bleken
Wat je daarbinnen krijgt
Voor je kiezen
De wrange wijn
Smaakt stroef
Als roest en vast
Een last
Die niet weg te spoelen is
Spúúg maar uit
We plaatsen er wel
Een beugel in
Dan valt het
Tenminste
Óp

zaterdag 20 augustus 2011

Openbare vervoering

Toen ze de deur dichtsloeg en buiten stond, had ze geen idee meer waar ze was. Ze wist niet in welke wereld ze nu was gestapt en ze wist niet welke kant ze op moest. Het zag er hetzelfde uit als toen ze hier aangekomen was. De brede straat, het water, de huizen, de brug, het gras, de bomen, maar ze kon het niet meer herkennen. Het bedrijf op de hoek. Ze liep zomaar een kant op, omdat het eerste dat in haar opkwam was dat ze weg moest. Hoe dan ook, weg van hier. Dan zou ze vanzelf thuiskomen. Maar toen ze eenmaal weg was, had ze het gevoel dat ze nóg verder weg was. Ze pakte haar telefoon alsof het haar laatste redding was. "Wat zie je?" Ze vertelde dat ze niets zag, alleen maar wegen en auto’s en ze stond er middenin. Niemand die haar zag. Ze stond overal buiten. "Kun je me niet op komen halen?" "Nee, ik kan je niet ophalen als ik niet weet waar je bent." Ze zag alleen maar auto’s die voorbij flitsten. Ze snapte niet waar ze allemaal naartoe gingen. Het leek allemaal zinloos. Het zag er belachelijk uit, al die auto’s, alsof ze allemaal een doel hadden. Iedereen had een doel dat haar voorbij schoot. En zo snel. Ze huilde en lachte door de telefoon dat het belachelijk was. En dat er ook een bus was. Heel ver. Een bus. Hij stopte aan de overkant. "Dan moet je naar die halte gaan en dan kom je met de bus naar huis. Kijk eens bij de halte welke bussen daar vertrekken." De stem aan de andere kant van de telefoon leek van ver te komen, maar ze kon niets anders bedenken dan ernaar te luisteren. Ja, dat kan wel, dacht ze, maar hoe kom ik daar? Ze kon niet zomaar door alle auto’s. "Het is hier heel druk, ik snap er niets van!" Ze ging op de grond zitten, midden op het trottoir, en ze voelde de koude tegels. Ze ging liggen, op haar rug, tot ze zichzelf zag. Er was geen sneeuw, maar het was wel koud. Naast de stoeptegels lag een strook gras, dat zag er comfortabeler uit. Ze ging in het gras zitten, in de berm, naast de weg. De stem aan de telefoon was weg. Zorgvuldig stopte ze de telefoon in haar tas. Ze checkte wel tienmaal of de tas dicht zat. Ze observeerde de auto’s, de straat. Ze sloeg haar armen om haar knieën. Heel rustig zat ze daar. Ineens was de overkant er, ze stapte in de bus. De chauffeur zei dat hij naar het station ging. Ze wist waar het station was. Dat had ze gevraagd. Als ze daar was, zou ze het wel weer snappen. Ze ging zitten en zag de wereld voorbij flitsen door het raam. De wegen die ze niet herkende. Thuis hoorde ze de stem die ze gebeld had. Het maakte niet uit. De stem ging weg. Ze was alleen, maar thuis. Ze dronk energiedrank en luisterde muziek terwijl ze de hele nacht doorwerkte.


vrijdag 12 augustus 2011

De aanraking

Kun je horen
Hoe de muziek zweeft
In de deeltjes
Van de lucht
Het stof

Kun je zien
Hoe ze trillen
De tonen
In de sfeer
Mos

Kun je voelen
Hoe de kleuren mengen
In ons samenzijn

Los

zondag 31 juli 2011

Achter het behang

Ze weet nog hoe het behang scheurde. Het witte behang dat geel was door de jaren en het leven en de rook. Oud. Het behang was dik en niet alleen. Laag na laag scheurde. Er zat een klein motiefje in, als nerven in hout. Grof als schors op een boom. Ze vroeg zich af of er ooit muur achter al die lagen behang tevoorschijn zou komen. Droom. Ze probeerde de muur te vinden, verder te scheuren, maar misschien bestond er helemaal geen muur. Misschien was het hele huis wel uit elkaar te scheuren van gemak. 

Het huis waar nooit gebouwd was. Waar geen muren stonden. Zonder dak. Het huis waar alleen geplakt werd, laag over laag, om de vorige niet te zien. Het huis waar óp het behang geplakt werd. Ervóór. In het zicht. Voor iedereen. Op de boom. Zo werd de stam heel dik, maar de verhoudingen klopten niet. De takken konden niet meer groeien, dat zou niet staan. De buitenwereld zou het zien, meteen. Subtiel sierlijke en uitbundige takken in alle richtingen pasten niet op zo’n stam. Zelfs één bescheiden tak was teveel. Van bladeren was helemaal geen sprake. Dat kon nooit één boom zijn. Dat zou opvallen. 

Er werd geschreven op het behang, in zwarte letters, met merkstift. Piepend, kracht en weinig inkt. Er werden woorden geschreven die ze nooit geleerd had te schrijven. Woorden die het papier niet kon verdragen, maar die ze las, en onderging. In zwart en groen en rood. Op al die lagen. Kinderachtig, maar overheersend. Genoeg. De takken groeiden naar beneden, omdat ze geen richting konden kiezen in de hoogte. Ze groeiden langs de stam en langs de woorden. Ze baanden zich een weg dwars door de lagen en de nerven, dwars door de woorden. In de lengte en de breedte. Overal. Ze groeiden tot ze de grond raakten en nog lager. Ze groeiden door. Door de grens met de grond. Ze raakten verstrikt in de wortels. Vertraging. 

De wortels vormden het gevecht. De takken en de wortels verkeerden in strijd. Het was er zo donker dat ze zelfs terug verlangde naar het vieze geel van het behang. Maar ze kon niet terug. En verder evenmin. Er was geen weg. Maar de takken groeiden en kwamen naast de boom weer boven de grond. En ze waren met zoveel, dat ze samen een stam vormden. Eén die stevig stond. De takken verdrongen zich om elkaar heen. Ze kronkelden omhoog. Op weg om zuurstof te geven. Aan de woorden. Weg met het behang. Elke laag herinnerde alleen maar. Aan het geluid, het geluid waarmee het schrijven van de woorden gepaard ging. Nee, het krassen. Kalken. Op de nieuwe stam zouden geen woorden komen, maar de takken zouden hoog de hemel beschrijven. En de wortels begroeven het behang dat verging, maar de aanraking was geweest. Het scheuren deed pijn. Hard. Hartverscheurend. En het begraven voldeed niet. Vanuit de hemel was nog altijd de grond te zien. En soms scheurden de wortels de grond. De weg. Het wegdek. Omdat de takken niet de enigen waren die groeiden.

...

dinsdag 5 juli 2011

De borrel

“Heb je zin om hierna nog een borrel te drinken?” Een borrel, zei ze. Het was een woord dat ik nooit zou gebruiken, maar er borrelde wel van alles bij me naar boven. Zoals ze dat vroeg. “Of drink je niet?” Ze keek naar me terwijl ze half in de schaduw en half in de zon stond. Ik kon haar gezicht niet goed zien. “Jawel,” haastte ik me te zeggen, “laat me je favoriete drankje maar proeven.” Haar ogen zag ik niet, maar haar mond lachte. “Doen we!” riep ze terwijl ze begon te rennen. “Wie het hardst kan!” schreeuwde ze naar achteren. Ze kwam moeizaam vooruit in het mulle zand.

Toen we even later neerploften, buiten adem, speelde ze met een schelp in het zand. Ze maakte figuurtjes. Ik keek naar het water, verderop. Ik kneep mijn ogen samen om mijn zicht scherper te stellen, terwijl ik de zon voelde branden op mijn huid. Ineens keek ze abrupt op, ze streek haar haar uit haar gezicht terwijl het steeds bleef terugwaaien. “Je kunt altijd de nooduitgang nemen, dat weet je toch?” Ik knikte, terwijl ik ook een schelp pakte en haar figuurtjes aanvulde. Ze keek wat ik maakte. “Jij ook.” Ze draaide zich even om om haar haar de juiste kant op te laten waaien, uit haar gezicht. “Ik blijf veel te graag zitten,” zei ze, “om te kijken wat het wordt.” Haar blik was op onze schelpenkunst gericht. Het geheel van in elkaar overvloeiende lijnen was nog net te zien, voor er een klein jongetje voorbij kwam drentelen, en met zijn voetjes het zand verplaatste.

“Wat mag het worden, dames?” De man die ons kwam bedienen, keek naar zijn blocnote. Hij had het op zijn dienblad liggen, met een pen in de aanslag om onze borrel te noteren. Ik was benieuwd wat ze zou zeggen.

woensdag 22 juni 2011

Pizza

Zij was een studente. Hij was fout. Ze ontmoette hem in de foutste kroeg van de stad die open blijft tot het licht wordt. Met zijn rug tegen de muur geleund keek hij naar haar, op de dansvloer. Ze bevond zich temidden van een groepje vriendinnen en had hem natuurlijk al lang gezien. Hij deed geen moeite subtiel te zijn, hij keek naar haar en hij bleef naar haar kijken, ook wanneer ze wegkeek en opging in haar dans. Ze keek steeds vaker terug, want zijn blik was, hoe fout ook, niet onaardig. Zijn ogen zeiden dat ze niet steeds weg moest kijken. Ze probeerde zijn leeftijd te schatten, maar dat was moeilijk. Geen student, nooit geweest ook. Donker, halflang haar. Donkere ogen. Uitnodigend. Hij was alleen. Zijn eerste vraag was hoe ze heette en zijn reactie op haar naam dat ze mooi was. Niet erg origineel, maar zíjn naam maakte veel goed. Exotisch, Italiaans. Nouja, half dan. Nog later bleek het maar een kwart te zijn. Hoe dan ook, zijn naam bleef ernaar verwijzen. Ze moest het van hem steeds herhalen, tot ze het perfect uitsprak. Dat deed ze. Hij moest om haar lachen. Een dag later belde hij haar, wat ze aan het doen was. Ze praatten een tijdje en hij bleek in een restaurant te werken, van zijn oude ouders. Italiaans, uiteraard. Hij experimenteerde –zoals hij het zelf noemde- met recepten. ’s Avonds ging hij altijd alleen de kroeg in. Ze kende niemand die dat deed. "Je ontmoet altijd wel iemand," zei hij. De week daarop nodigde hij haar uit. Ze fietste de hele stad door en verdwaalde voordat ze arriveerde. Toen ze uit de lift stapte die naar zijn appartement ging, stond hij haar al op te wachten op de gang. Weer stond hij met zijn rug tegen de muur, met dezelfde blik die ze herkende uit de kroeg. Hij liet zijn huis zien, verontschuldigde zich voor wat er nog niet af aan was. Ze vond het wel grappig. Liet zich rondleiden, voor haar koken, nipte aan haar wijn. Na het eten nam hij haar mee naar het theater. Ze gingen lopen, zij met haar fiets aan de hand. Hij zei dat hij altijd lopend ging. Waar ook naartoe. Het was een cabaretvoorstelling en na elke zin lachte hij zo hard dat ze beschaamd om zich heen keek of niemand er last van had. Ze eindigden weer in de kroeg waar ze dansten tot het licht werd. Het enige wat ze zag waren zijn ogen. "Zo ken ik je weer," zei hij, "ik dacht even dat ik je kwijt was."

donderdag 16 juni 2011

Neon

Stevig, maar nonchalant hield hij haar vast. Zijn rechterhand omklemde haar linkerhand. Met zijn vrije hand wees hij kledingstukken aan, geschikt voor haar. Haar vrije hand balde zich tot een vuist in haar jaszak tot de afdruk van haar nagels in haar handpalm stond. Ze volgde zijn gebaren en dook dieper haar kraag in. Ze gruwelde van de dunne stofjes, in zwart of rood. En dat was nog niet genoeg. Hij liet haar aan iedereen zien. Als het zou kunnen, nu en hier, midden in het overdekte winkelcentrum waar hij lukraak om zich heen wees. Ze zou zijn tentoonstelling zijn. Hij zou niets van haar heel laten. Hij zou haar publiekelijk van haar waardigheid ontkleden. Om haar dan mee te nemen. Hoe mooier hij zei dat hij haar vond, hoe lelijker ze zich voelde. Soms raakte ze de stofjes even aan, op zoek naar een begrip, op zoek naar alles wat haar ontging. Het was alsof ze op de markt liepen en hij hard schreeuwde hoe weinig ze waard was, als zíjn koopwaar. Hij zou haar de hele dag proberen te verkopen, om haar aan het eind van de dag, onverlette zaken, zelf maar weer mee te nemen. Soms tuurde ze in haar handpalm, wrijvend over de wondjes, alsof ze daar verandering in kon lezen, alsof ze daar kon vinden wat ze zocht. Stevig hield ze hem vast. Haar linkerhand kneep af en toe in zijn rechterhand, ten teken dat hij haar niet los moest laten.

vrijdag 10 juni 2011

Uniek

Steeds vaker overvalt me het gevoel dat mensen zo uniek nog niet zijn. Mijn vader zou me (bij wijze van spreken, voor de ongeruste letterlijke lezer) de doodstraf geven voor deze uitspraak, want als ik iets van hem geleerd heb, dan is het wel het unieke in ieder mens te zien. Bij het woord ‘uniek’ denk ik altijd als eerste aan hem. Als ik het woord hoor, zie ik het zelfs in geschreven vorm voor me, in het slordige handschrift (hij heeft ook een net handschrift) van mijn vader. Met een zwarte ballpoint gekrabbeld op een afgescheurd stukje papier. Alsof ik het moet onthouden. Hij heeft me ook altijd voor ogen gehouden hoe uniek ik ben. Benadrukt dat ik mijn eigen keuzes mag maken, als die vanuit mij komen. (Het deel achter de komma is overbodig, ik weet het, maar ik moet het laten staan.) Omdat ik dat ben. Hij zal mijn keuzes altijd respecteren. Zelfs als hij het er niet mee eens is, zal hij dat niet laten merken. Hij kan dat redelijk goed. Ik kom er zelf wel achter, is zijn motto.

In de basis ben ik er natuurlijk van overtuigd dat ieder mens uniek is, en ik vind dat prachtig om te zien, maar ik merk steeds vaker ook de overeenkomsten tussen bepaalde mensen. Ze vallen me meer en meer op. Meer dan de verschillen. Het is of iemand aan mijn schouder schudt (letterlijk) om me erop te wijzen; dat je mensen opnieuw kunt ontmoeten in andere mensen.

Het is alsof iemand je bedriegt en zich op hetzelfde moment bloot geeft.

maandag 6 juni 2011

Madeliefje

Haar grote helderblauwe ogen keken me verwachtingsvol aan. Lange witblonde lokken omlijstten haar gezichtje. Ze was zo mooi, zo puur. Een prinsesje zonder dat ze het wist. De onschuld. Ze kon net haar leeftijd vertellen. De jaren tellend op één hand. Ze vond het zelf al heel oud, maar ze wist nog niet hoe ver je kon tellen. Ze wist nog niet hoe oneindig veel verder het kon gaan. Ze wist zoveel nog niet, maar tegelijkertijd wist ze alles. Alles wat ze weten moest. Het zat allemaal al in haar gevangen. Onbevangen. Haar witte zomerjurkje met bloemetjes zwierde om haar heen, beweeglijk als ze was. Haar lichte haar en het wit van haar jurkje reflecteerden in de zon. Ze lachte, rende, speelde. Ze was een plaatje. Iedereen keek naar haar. Ik wist nu al dat die ogen vele harten zouden veroveren. En breken. Dat wist ze nog niet. Soms kwam ze, tussen het spelen door, naar me toe en keek me verwachtingsvol aan. "Mag ik bij jou?" vroeg ze dan, terwijl ze zich op liet tillen en op mijn schoot even uitrustte. Ik legde mijn kin op haar hoofd terwijl ze verder kwebbelde of even stil was, en naar de andere mensen keek. Ik keek met haar mee. Als ze weer wegrende, keek ik haar na. Ik zag alles wat voorbij was en alles wat nog ging komen in één. In gedachten verzonken was ik, tot ik een hand over mijn arm voelde. Ze aaide me. "Hee," zei ik. Daar stond ze weer. Ze keek op en zei: "Jij bent lief."

...