zaterdag 11 mei 2013

Innerlijke spoed

Ik zal je rondleiden
door de nacht
en door mijn hoofd
terwijl de stilte
ons omringt
en
tot de ochtend sluit

Ik zal zachtjes
zwarte wolken zingen
en wijzen
naar de takken
op de muur
alles
tot de ochtend slaat

Ik zal ze duwen;
de wijzers van de klok
dit hoeft niet lang te duren
maar het moet
het is de innerlijke spoed
die dwingend groet


zondag 5 mei 2013

Vloeken van verdriet

De wolken. Ze kleuren mijn gemoed. Ze krassen het licht weg van de zon die fel is en krachtig en straalt. Stralend, de zon. Ze is net genoeg. Ik heb haar nodig nu. Ik klamp me aan haar vast, de schijn.

Boos bots ik op ze in. De plukken wit en grijs omringd door blauw dat ik niet zie. Het is jammer dat het geen pijn doet. Ik wil mijn vuisten voelen. Ik wil met mijn handen vechten tot ze bloeden, maar ze zijn te zacht, de wolken. Ze doen me niets. Ik voel ze niet, maar ze kleuren mijn gemoed. Ze maken me boos, en moedeloos. Mijn handen zweven, want ze zijn er niet.

Wat kan ik nog doen nu mijn macht verdwenen is, verloren gaat? Waartoe moet ik me wenden als ik stik in het grijs? Ze wijken niet, de wolken. De verdomde wolken wijken niet. Ik vloek van verdriet. Ze zijn er, als ik er niet om vraag. Ze bepalen mijn dag als ik er niet ben. Ik voel mezelf, maar lopen is zo zwaar en van denken ga ik dood. Herinnering de hel.

Zo erg mis ik jou.
Eerlijk is het niet.
Verdriet.


dinsdag 16 april 2013

Stinkstad

Hijgend hardlopen in de uitlaatgassen
En het grijze stinkende steen
Ontwijken van vuilnis
En graffiti
En gooiende woorden
Op straat

Vallend komen ze neer
Op de kauwgumplekken
En de van urine doortrokken
Stoeptegels
Tenminste:
Als ze jou niet raken

Slalommend door de kogels
Ademhalen
Op het ritme van je voeten
Doorgaan
Tot je stikt

dinsdag 9 april 2013

Verslavingsvoordracht

Het was onmiddellijk te zien als je haar zag en keek. Zodra ze de hoek om kwam, de auto uitstapte, de deur (om het even welke) opende of de drempel over stapte. Ze had weer gebruikt. Of niet. Eén van beide. Neutraal bestond ze niet. Ze was niet gewoon 'zij'. Ze was de gebruiker óf degene die probeerde te stoppen. Ze was onder invloed óf niet. In beide gevallen verslaafd, al werd ze woedend als je dat woord in je mond nam. Ontkenning, afzwakking, goedpraterij, nee zelfs: keuze. Ze geloofde het. Ze hield zichzelf niet voor de gek, want ze meende het. Jou kon ze dus al helemáál niet voor de gek houden. Hoe je dat durfde te beweren. Hoe je zelf zeker perfect was.

De hele wereld om haar heen was net zo verslaafd of dom of blind of doof. Niemand keek, dat zou maar als bemoeizucht kunnen worden opgevat. Niemand keek, stel je voor: de pijn. Niemand keek, want dat zou een spiegel zijn. Als je haar zag en keek, dan was het echter onmiddellijk te zien. Het had meteen invloed op je gemoed. Haar stemming. Niet te missen. Zij was zo overweldigend aanwezig in welke ruimte ze ook was, al was het buiten in het weidse land, al zweeg ze je dood, dat ze je benauwde. Als ze toenadering zocht, dan sprong je weg. Je kon geen deel uitmaken van haar verbond. Haar kinderlijke domheid die volwassen probeerde te doen. Jij was de afstand. Je zou niet gearmd met haar lopen. Je zou te allen tijde naast haar lopen, staan, maar een arm was te veel. Dan was het of ze toestemming vroeg en jij die gaf.

Ze vroeg nooit wat je vond in woorden. Je zou haar met de grond gelijk maken.

Haar verslaving was altijd aanweziger dan jij, wie je ook was. Altijd kwam zij, en dan pas jij. Je zag haar, van dichtbij, maar de afstand was immens. Zodra je keek, of als ze sprak, dan bevestigde ze dat. Ze had gebruikt, of niet. Je walgde van de gewoonte die ze uitstraalde. Van het zelfbewustzijn dat ze dacht te hebben. Ze verbloemde wie ze was. Ze deed zich voor. Je kotste van de schijn.

woensdag 13 maart 2013

Grensbereik

Keihard ertegenin moest je gaan
Keihard meedoen
Maar dan andersom
De weerstand bieden
De boksbal zijn
Die terugsloeg
Schreeuwen moest je
Uit alle macht
Met al je longen
Je moest hem slaand
Tot stilte manen
Schoppen bovendien
Om te laten zien
Dat het je interesseerde
Meer dan een malle moer
Om te horen wat hij zei
Wat hij riep, nee schreeuwde
Door alles heen
Help me dan
Help me
Help

Negeren was des doods
En zachtjes praten ook
Begrijpend knikken
Had geen zin
De tegenstander moest je zijn
De grensbewaker
Met het harde schot
Hij daagde je uit
En wachtte al zo lang

zondag 10 maart 2013

De achterlach

uit de boerenbek

Gemompel verstomt
Gevloek overstemt
Geschreeuw dat
Probeert zijn weg te vinden
Uit de keel
De gortdroge keel
Via tanden en kiezen
De wereld in
Waar niemand is
En blijft
Of zijn zal
Om zich vast te bijten
Zo zinloos
Is het zwoegen
Van dit zwaar verdorven hart

kan je hierom lachen?
hilarisch,
serieus

donderdag 21 februari 2013

De trui

Hij groette haar enthousiast. Toen ze hem zag, kreeg ze de neiging om hem te omhelzen. Dat de werkelijkheid niet eens in de buurt van een aanraking kwam, maakte niet uit. Ze voelde zich door hem gesteund en dat begon al bij de begroeting. Het was één van de eerste koude dagen en ze zag hem voor het eerst in een trui waar hij anders altijd overhemden droeg. Ze schrok van de uitwerking die de trui op haar had. Het informele gehalte. Zijn hoofd boven de stof leek ineens stukken zachter, vriendelijker. Zijn haar zag er soepel uit alsof het net gewassen was. Ze dacht dat het wel statisch zou worden als hij zijn trui uit zou trekken. Hij glimlachte, zijn ogen leken helderder blauw dan ze ooit had opgemerkt en hij praatte maar door. Hij bleef praten omdat hij wist dat ze een stilte nu niet kon verdragen. Ze zag hem zijn best doen. Hij had het nergens over, maar hij stelde haar op haar gemak. Het liefst wilde ze hem dat laten weten, maar dat lukte niet. Er kwam niets uit haar mond. Soms probeerde hij wat minder over niets te praten en wat meer over wat ertoe deed, maar zodra hij haar ogen zag, had hij het begrepen. Hij moest lachen om haar stelligheid en haar onbeholpenheid. Haar stelligheid dat er niets aan de hand was, terwijl hij zag dat ze uit evenwicht was. Haar onbeholpenheid om daar vervolgens niets over te kunnen zeggen. De ontkenning die de bevestiging in zich had. Hij vroeg wat haar nou zo raakte. Hij vroeg hoe het kwam. Hij leek oprecht geïnteresseerd. Het verwarde haar. Ze zou hem alleen al antwoord willen geven omdat hij was zoals hij was, maar ze zei niets. Ze haalde haar schouders op. Het was de vriendelijkheid die haar raakte. De vriendelijkheid, en niets dan dat. Op zachte toon sprak hij verder, alleen tegen haar. Hij mocht alles zeggen. Het was gepermitteerd. Ze had toestemming gegeven.
Ze hoopte dat hij de volgende keer zijn overhemd weer droeg. 

dinsdag 12 februari 2013

Ouder gemoed

Het was het gemoedelijke dat in zijn karakter was geslopen dat mij zo raakte. Mijn hoofd zat dikwijls vol, te vol voor een hoofd, terwijl ik best een groot hoofd had. Dat zat in de familie. Min of meer. Het was niet zo dat mijn hele familie met buitensporig grote hoofden rondliep. Toch was de omvang van mijn hoofd vaak groter dan die van een ander. Op foto’s zag je dat goed. Zijn hoofd leek echter eerder te krimpen. De wangen waren ingevallen en het was of de diepe rimpels en groeven in zijn voorhoofd een deel volume wegnamen. Zijn neus was riant. Daardoor kwam er weer wat evenwicht. Zijn oren bleven klein, hoewel oren groeien met de jaren. Bij hem leek dat niet op te gaan. Zijn oren bleven bescheiden. Ik wist niet wat dat te betekenen had, hoewel ik er graag een betekenis aan had gegeven. Ik kon slecht tegen dingen zonder betekenis, ook al waren het oren. In principe geloofde ik niet in dingen die niets dan dingen waren. Niets stond op zichzelf. Overal zat iets achter. Dat moest. Mijn hoofd zat dus dikwijls te vol. Nu ik erover nadenk: van zijn haar was ook niet veel over. Dat zou gezichtsbedrog kunnen opleveren. Een hoofd zonder haar leek algauw een stuk kleiner. 

Vroeger had hij een volle haardos, vroeger toen ik klein was. Ergens is het zonde dat ik niet meer klein ben. Mijn moeder bewaart een foto van mij van toen ik klein was. Ze wil herinnerd worden aan die tijd. Aan die tijd en mijn schattigheid. Ze kijkt ernaar als ze boos is om wie ik nu ben. Als ze moeite heeft met acceptatie. Zo kalmeert ze zichzelf. Ik zie mezelf voorzichtig glimlachen zoals ik was toen ik klein was. Mijn vader met de kleine oren en de grote neus zegt dat ik cameraschuw was. Volgens hem is het een wonder dat ik op die foto gekomen ben. Mijn vaders rimpels in zijn hoofd komen door hoe ik was toen ik klein was. Mijn vader kan beter met mij omgaan zoals ik nu ben. Nu, als in: niet meer klein. De heimwee naar vervlogen tijden zoals mijn moeder die kent, is mijn vader vreemd. Mijzelf ook. Dat komt omdat ik me niet meer herinner wat er in mijn hoofd was toen ik klein was. Zo klein als op de foto. Het lijkt alsof ik nooit bestaan heb. Daar kan ik niet tegen. Mijn vaders gemoed bevestigt mijn bestaan. Mijn grote hoofd staart hem aan. De schuwe glimlach is voor haar. Schaterlachend. In mij zit zij, zoals ik in haar, al herkent ze me niet altijd. Dat is wat het doet; de tijd.

zondag 10 februari 2013

Geruste groet

De gemoedelijkheid van
de dagen
en de daken
de weilanden
bedekt met wit

Het onaangeroerde van
het landschap
en de dieren
en de lucht
bedekt met zorgeloos

Ze steken af
tegen
het zorgeloos wit
terwijl ze samenvallen;
de dingen die er zijn

En de strepen
en de stappen
de voorzichtige tred
en de haastjager
leefden er naast elkaar
tezamen
in het beeld
tussen de kozijnen
van mijn raam

En binnen tikt de kachel
van gemoedelijkheid
en geruste groet
De warmte blaast
en ik voel mij omarmd
door deze eenvoud
Zo aan mijn zij
zo zuiver zacht
vannacht