Ik zou je willen schrijven, zingen, schreeuwen
zachtjes door de zakelijke zomerlucht
de woorden die je me leerde
toen ik ze nog niet begreep
Ik zou de dingen grijpen uit de lucht
die er vol van hangt
Knijpen in mijn vuisten
en richten door de avond
Ik zou je willen gooien, grijpen, zwaaien
zwoegen door de tijd
de kogels die je me verschafte
toen ik ze koesterde
als mijn wapenschild
Ik zou je vangen in de lucht
tegenhouden en omarmen
Ik zou je lachen
neerkomend op de grond
gewond geworpen
is het dat ik zwaai
ik zwier
dinsdag 4 juni 2013
donderdag 30 mei 2013
Nooit meer wachten
Wachtend op de lift
Dacht ik: nooit
Nooit weer
Ik kom hier nooit weer
Het weggaan kon ik
Niet verdragen
Het weggaan
Keer op keer
Wachtend op de lift
Telde ik de verdiepingen
De tijd die ik nog had
Ik telde de tijd
En zoveel meer
Wachtend op de lift
Moest ik me vermannen
Niet achterom te kijken
En terug te rennen
En terug te rennen
Het afscheid
Tot de volgende keer
Onbekend nog
Deed zo’n zeer
Wachtend op de lift
Op en neer
Op en neer
En
Heen en weer
Wachtend
Op de ommekeer
dinsdag 28 mei 2013
Onder de huid, zonder zorgen
Zijn enthousiasme klonk gematigd. En alleen als ze ernaar
vroeg. Dat dus. Het was als een retorische vraag waar geen ander antwoord op
kon volgen. Hij kon er net zo goed geen snars van menen. Het kwam niet vanuit
hem. Het kwam uit haar. Zij trok zijn enthousiasme uit hem, zodat ze eigenlijk
naar zichzelf luisterde. Ze had te veel, een hoge dosis, maar of hij weinig
had, dat wist ze niet. Misschien wel meer, maar uiten deed hij niet. Hij sloeg
het in de grond en nagelde het vast, zichzelf erbij.
Ze vroeg zich af wanneer het begonnen was. Hij kon zo niet
geboren zijn. Een kind kon zo niet zijn. Een kind moest krijsen, springen,
gillen. Tot het een keer ophield. Hij tenminste wel. Ze had hem nooit
anders gekend. Ze kende van hem geen enthousiasme, trots of ongeremde
vrolijkheid. Ook geen ongeremde boosheid overigens. Ongeremd verdriet evenmin.
Ze kende hem alleen geremd. Ze herinnerde hem niet.
Het was of hij gevallen was en blijven liggen. Niemand had
hem opgeraapt. Hij deed of het hem beviel, daar op de
stenen grond, koud en klam, maar stijf. Hij overtuigde mensen. Zij snapte de mensen niet. Ze snapte hem
ook niet. Bescherming, zou een ander haar vertellen. Bescherming was het, niets
dan dat. Het leek haar maar saai. Saai en nep. Zo voorzichtig nep. Zo kon een
mens niet zijn, niet echt. Niet altijd nu tot nooit.
Ze wachtte op de uitbarsting, sneed zichzelf en hield
verborgen.
zaterdag 25 mei 2013
Tonio
Ik voelde me een indringer. Ik voelde me een dief in het
huis van wildvreemde mensen. Ik kon al hun persoonlijke bezittingen aanraken en
desgewenst meenemen. Het was of ik buiten hun medeweten hun leven leerde kennen,
terwijl zij me dat nadrukkelijk gevraagd hadden. Voor mijn ogen voltrok zich hun
geschiedenis. Hun foto's aan de wand, de geur van de kleding in hun kasten en de
aanblik van hun voedsel in de koelkast. Hier mocht ik niet zijn. Zachtjes, op
mijn tenen, sloop ik door de vertrekken. Ik hoorde mijn hart bonken. Het wilde
eruit. Uit mijn lijf en uit dit huis. Het waarschuwde me. Als ik geluid maakte,
zou ik de wetten van privacy overtreden. Alles moest ik bekijken, ruiken, proeven.
Ik moest horen wat de omgeving me te zeggen had. Ik moest luisteren met mijn
ogen wijd open. Ik moest het voelen tot ik bijna stikte. Ik was een indringer. Desondanks
voelde ik de noodzaak van mijn aanwezigheid. De absolute noodzaak van dit
bezoek.
Het zou bruut zijn te vertrekken en de deur achter me te
sluiten. Ik zou te veel met me meenemen. Ik zou een leven stelen, terwijl dat
al weggenomen was. De uitnodiging had een dwingend karakter gehad. Nu ik er
was, en zelfs daarvoor, kon ik dat niet negeren. Uit elke deur die open stond, uit elk raam dat geopend was en uit elke kier van het huis die ook maar het kleinste beetje
doorgang naar buiten verschafte, kwam een noodkreet. De lucht in het huis schreeuwde. Het kon niet
weg, het kon nergens heen. Ontsnappen noch vluchten. Het enige dat het kon
doen, was delen. Binnenlaten en delen, zodat er zuurstof kwam om te overleven.
Frisse lucht van buiten werd mee naar binnen genomen door de gasten die
indringers waren. Ze hadden hier niets te zoeken, net als ik, maar ze hadden de
stem gehoord. De stem die boven het persoonlijk verdriet uit stak.
...
Bekijk hier de uitzending van Collegetour met A.F.Th. van der Heijden.
...
Bekijk hier de uitzending van Collegetour met A.F.Th. van der Heijden.
donderdag 23 mei 2013
Gemaskerd bal
Als hij de ruimte inkwam, merkte ze het altijd direct. Het
was of ze zijn aanwezigheid voelde nog voor ze hem zag. Zijn aantocht was voldoende. Onopvallend zochten haar ogen de ruimte af en ze had altijd
gelijk. Ze deed of ze hem niet zag tot hij naar haar toekwam. Hij kwam altijd
naar haar toe. Dan kon ze niet anders dan hem aankijken. Zijn ogen zogen die
van haar naar zich toe. Als hij haar tijdens zo’n gesprek even aanraakte, ging
er een schok door haar heen. Het duurde altijd te kort. Het was moeilijk de
balans te vinden. Ze wilde verdrinken in zijn aandacht, maar het kon niet. Hij
wist het ook en het was of ze een stilzwijgend verbond hadden gesloten alleen
met hun ogen te spreken. De woorden die ze spraken, kregen nooit de kans écht
ergens over te gaan. Toch wist ze dat hij haar begreep en zij hem.
Ze voelde een misplaatste jaloezie als hij zijn aandacht aan
iemand anders schonk en ze hield dat altijd nauwlettend in de gaten. Soms
zonderde ze zich af. Buiten hapte ze naar frisse lucht en ademde diep in voor
ze de ruimte weer inging om zich te vermannen. Ze haastte zich. Ze vervloekte
zichzelf erom.
Als hij tijdelijk de ruimte verliet, bleef ze naar de deur
kijken tot ze hem weer zag verschijnen. Wanneer het tijd was om afscheid te
nemen, was dat het enige moment dat ze hem niet aan kon kijken. Ze bleef
onrustig zo lang hij in de buurt was en nog dagen daarna voelde ze de echo. Dan
was het of ze een enorme kater had. Hij was weg en contact zoeken kon niet. Ze
was chagrijnig zonder reden, ogenschijnlijk.
zaterdag 11 mei 2013
Innerlijke spoed
Ik zal je rondleiden
door de nacht
en door mijn hoofd
terwijl de stilte
ons omringt
en
tot de ochtend sluit
Ik zal zachtjes
zwarte wolken zingen
en wijzen
naar de takken
op de muur
alles
tot de ochtend slaat
Ik zal ze duwen;
de wijzers van de klok
dit hoeft niet lang te duren
maar het moet
het is de innerlijke spoed
die dwingend groet
door de nacht
en door mijn hoofd
terwijl de stilte
ons omringt
en
tot de ochtend sluit
Ik zal zachtjes
zwarte wolken zingen
en wijzen
naar de takken
op de muur
alles
tot de ochtend slaat
Ik zal ze duwen;
de wijzers van de klok
dit hoeft niet lang te duren
maar het moet
het is de innerlijke spoed
die dwingend groet
zondag 5 mei 2013
Vloeken van verdriet
De wolken. Ze kleuren mijn gemoed. Ze krassen het licht weg van de zon die fel is en krachtig en straalt. Stralend, de zon. Ze is net genoeg. Ik heb haar nodig nu. Ik klamp me aan haar vast, de schijn.
Boos bots ik op ze in. De plukken wit en grijs omringd door blauw dat ik niet zie. Het is jammer dat het geen pijn doet. Ik wil mijn vuisten voelen. Ik wil met mijn handen vechten tot ze bloeden, maar ze zijn te zacht, de wolken. Ze doen me niets. Ik voel ze niet, maar ze kleuren mijn gemoed. Ze maken me boos, en moedeloos. Mijn handen zweven, want ze zijn er niet.
Wat kan ik nog doen nu mijn macht verdwenen is, verloren gaat? Waartoe moet ik me wenden als ik stik in het grijs? Ze wijken niet, de wolken. De verdomde wolken wijken niet. Ik vloek van verdriet. Ze zijn er, als ik er niet om vraag. Ze bepalen mijn dag als ik er niet ben. Ik voel mezelf, maar lopen is zo zwaar en van denken ga ik dood. Herinnering de hel.
Zo erg mis ik jou.
Eerlijk is het niet.
Verdriet.
Boos bots ik op ze in. De plukken wit en grijs omringd door blauw dat ik niet zie. Het is jammer dat het geen pijn doet. Ik wil mijn vuisten voelen. Ik wil met mijn handen vechten tot ze bloeden, maar ze zijn te zacht, de wolken. Ze doen me niets. Ik voel ze niet, maar ze kleuren mijn gemoed. Ze maken me boos, en moedeloos. Mijn handen zweven, want ze zijn er niet.
Wat kan ik nog doen nu mijn macht verdwenen is, verloren gaat? Waartoe moet ik me wenden als ik stik in het grijs? Ze wijken niet, de wolken. De verdomde wolken wijken niet. Ik vloek van verdriet. Ze zijn er, als ik er niet om vraag. Ze bepalen mijn dag als ik er niet ben. Ik voel mezelf, maar lopen is zo zwaar en van denken ga ik dood. Herinnering de hel.
Zo erg mis ik jou.
Eerlijk is het niet.
Verdriet.
dinsdag 16 april 2013
Stinkstad
Hijgend hardlopen in de uitlaatgassen
En het grijze stinkende steen
Ontwijken van vuilnis
En graffiti
En gooiende woorden
Op straat
Vallend komen ze neer
Op de kauwgumplekken
En de van urine doortrokken
Stoeptegels
Tenminste:
Als ze jou niet raken
Als ze jou niet raken
Slalommend door de kogels
Ademhalen
Op het ritme van je voeten
Doorgaan
Tot je stikt
dinsdag 9 april 2013
Verslavingsvoordracht
Het was onmiddellijk te zien als je haar zag en keek. Zodra ze de hoek om kwam, de auto uitstapte, de deur (om het even welke) opende of de drempel over stapte. Ze had weer gebruikt. Of niet. Eén van beide. Neutraal bestond ze niet. Ze was niet gewoon 'zij'. Ze was de gebruiker óf degene die probeerde te stoppen. Ze was onder invloed óf niet. In beide gevallen verslaafd, al werd ze woedend als je dat woord in je mond nam. Ontkenning, afzwakking, goedpraterij, nee zelfs: keuze. Ze geloofde het. Ze hield zichzelf niet voor de gek, want ze meende het. Jou kon ze dus al helemáál niet voor de gek houden. Hoe je dat durfde te beweren. Hoe je zelf zeker perfect was.
De hele wereld om haar heen was net zo verslaafd of dom of blind of doof. Niemand keek, dat zou maar als bemoeizucht kunnen worden opgevat. Niemand keek, stel je voor: de pijn. Niemand keek, want dat zou een spiegel zijn. Als je haar zag en keek, dan was het echter onmiddellijk te zien. Het had meteen invloed op je gemoed. Haar stemming. Niet te missen. Zij was zo overweldigend aanwezig in welke ruimte ze ook was, al was het buiten in het weidse land, al zweeg ze je dood, dat ze je benauwde. Als ze toenadering zocht, dan sprong je weg. Je kon geen deel uitmaken van haar verbond. Haar kinderlijke domheid die volwassen probeerde te doen. Jij was de afstand. Je zou niet gearmd met haar lopen. Je zou te allen tijde naast haar lopen, staan, maar een arm was te veel. Dan was het of ze toestemming vroeg en jij die gaf.
Ze vroeg nooit wat je vond in woorden. Je zou haar met de grond gelijk maken.
Haar verslaving was altijd aanweziger dan jij, wie je ook was. Altijd kwam zij, en dan pas jij. Je zag haar, van dichtbij, maar de afstand was immens. Zodra je keek, of als ze sprak, dan bevestigde ze dat. Ze had gebruikt, of niet. Je walgde van de gewoonte die ze uitstraalde. Van het zelfbewustzijn dat ze dacht te hebben. Ze verbloemde wie ze was. Ze deed zich voor. Je kotste van de schijn.
De hele wereld om haar heen was net zo verslaafd of dom of blind of doof. Niemand keek, dat zou maar als bemoeizucht kunnen worden opgevat. Niemand keek, stel je voor: de pijn. Niemand keek, want dat zou een spiegel zijn. Als je haar zag en keek, dan was het echter onmiddellijk te zien. Het had meteen invloed op je gemoed. Haar stemming. Niet te missen. Zij was zo overweldigend aanwezig in welke ruimte ze ook was, al was het buiten in het weidse land, al zweeg ze je dood, dat ze je benauwde. Als ze toenadering zocht, dan sprong je weg. Je kon geen deel uitmaken van haar verbond. Haar kinderlijke domheid die volwassen probeerde te doen. Jij was de afstand. Je zou niet gearmd met haar lopen. Je zou te allen tijde naast haar lopen, staan, maar een arm was te veel. Dan was het of ze toestemming vroeg en jij die gaf.
Ze vroeg nooit wat je vond in woorden. Je zou haar met de grond gelijk maken.
Haar verslaving was altijd aanweziger dan jij, wie je ook was. Altijd kwam zij, en dan pas jij. Je zag haar, van dichtbij, maar de afstand was immens. Zodra je keek, of als ze sprak, dan bevestigde ze dat. Ze had gebruikt, of niet. Je walgde van de gewoonte die ze uitstraalde. Van het zelfbewustzijn dat ze dacht te hebben. Ze verbloemde wie ze was. Ze deed zich voor. Je kotste van de schijn.
Abonneren op:
Posts (Atom)