De ademhaling
Het ritme
Op de maat
van de stappen
De voetstappen
Sprongen
In het drassige gras
Zand ook soms
Plassen van de regen
En dan weer droog
En mul
Zwaar
Zijn ademhaling klonk zo zwaar dat ik bang was dat hij geen lucht meer zou krijgen. Geen zuurstof. Geen leven meer. Ik was bang dat de ademhaling ter plekke zou stoppen. Soms was het even stil. Dan verroerde ik me niet en dan keek ik voorzichtig, of het verder ging. Hij lag daar maar. Op het moment dat mijn eigen ademhaling stokte, ging het verder. Even zwaar, maar hoorbaar. Aanwezig. Aanwezig naar bijna niet.
De bewustwording
In de adem
De lucht
Van aanwezigheid
Van zelf
Van zijn
En worden
En verder
Voorgoed
Ik merkte dat het lopen soepeler ging als ik het juiste ritme te pakken had en daarop doorging. Op den duur zweefde ik. Ik wist niet meer dat ik liep. Ik hoorde mijn voeten neerkomen, geruisloos. Geluidloos bijna. Mijn armen bewogen mee langs mijn lichaam, met de stappen, in het ritme. Mijn armen droegen me. Ik zag mezelf voorbijkomen. Gáán.
In zijn ogen
Het leven
Van voorbij
En het besef
Met de stappen
Het tikken
Van de levensklok
Het hart
had
haast
Zo liepen we daar. Soms pratend. Hoewel de ademhaling stokt, praten moeten we. Praten maakt de ademhaling zwaar en verlicht. Tegelijk. In de bewoonde wereld kwamen we. Minder vrij en hard. Geen vering. We raakten algauw de grond. Het is zaak om je voeten goed op te tillen. In de wolken. Vanuit de grond.
Het zand
Tussen de vingers
Naar weg
Terug
De aarde
En de lucht
En de aanwezigheid
In alles
Ademend
dinsdag 27 september 2011
woensdag 21 september 2011
De cake
Er lag een cake op straat. Zo’n perfecte. Licht van kleur. Geel. De korst donkerbruin. Vers nog. Maar dan kapot. Kapot, als je dat kan zeggen van een cake. Gebroken. Beter. Gebroken heeft de tragiek in zich. En het was een tragisch gezicht. Die cake. Op het fietspad. Langs de weg. Alsof iemand ‘m pas gebakken had, heel voorzichtig mee had genomen en toen had laten vallen. Plof. En niet zomaar laten vallen. Nee, uit emotie. Het werd de persoon die de cake in zijn handen had te veel. De cake werd te zwaar voor het moment. Plof. Op de straat. Ineens was hij weg. Weggeglipt uit de handen van de persoon. Die staarde van zijn handen naar de straat, alsof hij het moment gemist had. De straat was nog nat van de regenbui die net gevallen was. De hemel had gehuild. De cake was daarmee oneetbaar geworden. Althans onacceptabel voor de gelegenheid. Ongeveer in het midden in tweeën gedeeld. Gebroken. Twee stukken, maar nog vlak naast elkaar. Kruimels in een kringetje eromheen. Verder nog perfect. Een perfecte val. Een cake op het zwarte asfalt. Het zwarte asfalt leidde naar de begraafplaats. Nog maar een paar meter en dan was de cake in de handen van de persoon het pad ingeslagen naar de begraafplaats.
Bij de begraafplaats lag een gebouwtje. Een gebouwtje waar koffie -of thee- werd gedronken en cake werd gegeten nadat de kist met de overledene in de aarde was gezakt. De cake was te vroeg gezakt, richting aarde. De cake had op witte schoteltjes terecht moeten komen, in keurig recht afgesneden plakken. De cake zou een beetje kleverig hebben aangevoeld als je het vastpakte om een stukje af te breken of in zijn geheel naar je mond te brengen. Cake smaakt altijd erg goed na gebeurtenissen die zo zwaar op het hart kunnen drukken als begrafenissen. Cake absorbeert. Tranen, indrukken. En het vult een leegte. Voor even. Zogenaamd. Maar voor deze cake was het vooraf al te veel geworden. En iedereen die naar de begraafplaats kwam, zou de cake daar zien liggen. Zolang het mocht duren. Het was onheilspellend en geruststellend tegelijk, dat de cake daar lag. Ik fietste er voorbij en ik dacht aan de dingen. Aan de dingen die bij het leven horen. Het was alsof de aarde open lag. Ik vroeg me af waarom er geen folie om de cake had gezeten. Geen bescherming. De cake open en bloot op het asfalt. As valt.
Bij de begraafplaats lag een gebouwtje. Een gebouwtje waar koffie -of thee- werd gedronken en cake werd gegeten nadat de kist met de overledene in de aarde was gezakt. De cake was te vroeg gezakt, richting aarde. De cake had op witte schoteltjes terecht moeten komen, in keurig recht afgesneden plakken. De cake zou een beetje kleverig hebben aangevoeld als je het vastpakte om een stukje af te breken of in zijn geheel naar je mond te brengen. Cake smaakt altijd erg goed na gebeurtenissen die zo zwaar op het hart kunnen drukken als begrafenissen. Cake absorbeert. Tranen, indrukken. En het vult een leegte. Voor even. Zogenaamd. Maar voor deze cake was het vooraf al te veel geworden. En iedereen die naar de begraafplaats kwam, zou de cake daar zien liggen. Zolang het mocht duren. Het was onheilspellend en geruststellend tegelijk, dat de cake daar lag. Ik fietste er voorbij en ik dacht aan de dingen. Aan de dingen die bij het leven horen. Het was alsof de aarde open lag. Ik vroeg me af waarom er geen folie om de cake had gezeten. Geen bescherming. De cake open en bloot op het asfalt. As valt.
maandag 19 september 2011
Bij het vallen van de nacht
Al bijna vijftig jaar woonde ze in dit huis, maar de laatste tijd hoorde ze overal geluiden vandaan komen die ze nooit eerder opmerkte. Was dat de buurvrouw? Die hoestte wel eens ’s nachts. Nee, het kwam toch van beneden. Er zou toch geen inbreker zijn? Ze was als de dood voor inbrekers. Nog eens goed luisteren. Ze zag het vaak genoeg voorbij komen op de televisie, dan was er weer ingebroken bij een echtpaar dat met grof geweld aan de kant werd geslagen. Je kon niets beginnen. Rare wereld. Het maakte haar bang. Had ze de deur wel goed vergrendeld met het extra haakje? Toch even het bed uit, kijken of er niemand was. De trap kraakte en was eindeloos. Eenmaal terug, de sloten gecheckt, probeerde ze haar ademhaling weer onder controle te krijgen. Die vervelende kortademigheid ook. De dokter had er niets voor, ze moest het maar accepteren. Rustig aan doen. Hij had makkelijk praten.
Het huis was eigenlijk te groot voor haar. Te veel verdiepingen, te veel kamers. Te veel trap. Ze knipte het lampje aan en staarde naar het plafond. Er zaten scheuren in. Barsten. Het leek wel of het er met de dag meer werden. En in de hoek bruine vlekken, resultaat van lekkage. Als er visite kwam, hield ze zo veel mogelijk deuren dicht. Ze schaamde zich voor de onverzorgdheid van haar huis. Ouderdom van het huis. Ze werd samen met haar huis oud en ze kon er niets aan doen. Weer hoorde ze geluiden. Of zou het haar zoon zijn die thuis kwam? Nee, dat kon niet, hij woonde al lang niet meer thuis. Dat vergat ze steeds. Haar man die beneden in bed lag nu hij de trap niet meer kon beklimmen na zijn val? Nee, dat kon ook niet, hij verbleef al een paar jaar in een verpleegtehuis. Na de val was het hard met hem achteruit gegaan. Met de klap leek zijn geheugen ook te zijn verdwenen. Iedere zondag ging ze bij hem op bezoek, maar hij herkende haar niet meer. Ze kon net zo goed niet gaan.
Ze keek op de klok. Over een paar uur moest ze alweer op. Half acht. In het weekend acht uur. Ze dacht aan haar kleindochter van tien "Zo vroeg?! Maar oma, u hoeft toch nergens heen? U kunt iedere dag lekker uitslapen!" Ze glimlachte. Lief kind. Nee, zo ver moest ze het niet laten komen. Het was belangrijk dat ze haar ritme hield. Er was nog zo veel te doen in huis. Ze moest alles nog opruimen en ordenen. Het hele huis stond vol. Iedere kamer. Zo veel verzameld in de loop der jaren. Ze kon het haar kinderen niet aandoen om dat allemaal te moeten uitzoeken en opruimen als zij er niet meer was. Nee, ze kon het zich niet veroorloven een dag niets te doen. Ze moest nu echt slapen, anders was ze morgen overdag zo moe en dan gebeurde er weer niks. Ze had nog zoveel te doen.
Het lampje begon te flikkeren en ineens was het donker in de slaapkamer. Ze schrok. Had ze nog wel nieuwe lampjes? Morgenochtend direct even kijken. In de keukenla misschien? Ze moest wel een lampje bij haar bed hebben. Stel dat ze er ’s nachts uit moest? Dan zag ze niets en kon ze wel vallen en verkeerd terechtkomen. De telefoon was veel te ver weg. Hoe lang zou ze daar dan wel niet kunnen liggen? Ze was als de dood om te vallen. Bij haar zus was dat ook verkeerd afgelopen. Zij belandde in het ziekenhuis met een paar gebroken botten en kwam er weer uit in een doodskist. Als het morgen niet zo hard waaide, kon ze misschien even op de fiets naar de supermarkt, een voorraad lampjes kopen. Ze kon de buurvrouw niet steeds blijven vragen voor ieder wissewasje. Die had zelf een druk leven.
Ze draaide zich nog eens om. De dekens waren zwaar. Nee, niet op die zij, dan deed haar heup zo’n pijn. Voorzichtig, andere kant. Ze dacht terug aan haar leven. Ze was ook altijd druk geweest. Na de oorlog direct begonnen te werken. Net achttien was ze. Verpleegster. Altijd voor anderen gezorgd. Tegenwoordig was er zo veel veranderd. Gemoderniseerd. Maar vroeger, toen was het nog echt werken. Van haar hechte groepje collega’s waren er nog maar twee over, waaronder zij. Ze zagen elkaar nooit meer. Ze konden niet bij elkaar komen. Afhankelijk als het om vervoer ging. Maar op verjaardagen belden ze nog altijd. Dat moest ze niet vergeten volgende week.
Ze luisterde naar de regen die tegen het raam tikte. Vroeger kalmeerde dat geluid haar, herinnerde ze zich. Toen kon ze er goed door slapen, maar nu niet meer. Alles was anders. Het waaide, het huis kraakte. Ze zat opgesloten. Opgesloten in haar lichaam, haar onrustige geest, haar huis, haar bed, de nacht, haar ouderdom. En de eenzaamheid. Morgen moest ze foto’s uitzoeken. Foto’s van alles wat geweest was. Niet vergeten die stapel van zolder ook mee te nemen naar beneden. Meteen doen als ze wakker werd, dan bespaarde ze weer een klim naar boven gedurende de dag. De trap was zo eindeloos. De treden bleven elkaar maar opvolgen.
Ze kon niet slapen en het was donker. Het werd steeds donkerder.
Het huis was eigenlijk te groot voor haar. Te veel verdiepingen, te veel kamers. Te veel trap. Ze knipte het lampje aan en staarde naar het plafond. Er zaten scheuren in. Barsten. Het leek wel of het er met de dag meer werden. En in de hoek bruine vlekken, resultaat van lekkage. Als er visite kwam, hield ze zo veel mogelijk deuren dicht. Ze schaamde zich voor de onverzorgdheid van haar huis. Ouderdom van het huis. Ze werd samen met haar huis oud en ze kon er niets aan doen. Weer hoorde ze geluiden. Of zou het haar zoon zijn die thuis kwam? Nee, dat kon niet, hij woonde al lang niet meer thuis. Dat vergat ze steeds. Haar man die beneden in bed lag nu hij de trap niet meer kon beklimmen na zijn val? Nee, dat kon ook niet, hij verbleef al een paar jaar in een verpleegtehuis. Na de val was het hard met hem achteruit gegaan. Met de klap leek zijn geheugen ook te zijn verdwenen. Iedere zondag ging ze bij hem op bezoek, maar hij herkende haar niet meer. Ze kon net zo goed niet gaan.
Ze keek op de klok. Over een paar uur moest ze alweer op. Half acht. In het weekend acht uur. Ze dacht aan haar kleindochter van tien "Zo vroeg?! Maar oma, u hoeft toch nergens heen? U kunt iedere dag lekker uitslapen!" Ze glimlachte. Lief kind. Nee, zo ver moest ze het niet laten komen. Het was belangrijk dat ze haar ritme hield. Er was nog zo veel te doen in huis. Ze moest alles nog opruimen en ordenen. Het hele huis stond vol. Iedere kamer. Zo veel verzameld in de loop der jaren. Ze kon het haar kinderen niet aandoen om dat allemaal te moeten uitzoeken en opruimen als zij er niet meer was. Nee, ze kon het zich niet veroorloven een dag niets te doen. Ze moest nu echt slapen, anders was ze morgen overdag zo moe en dan gebeurde er weer niks. Ze had nog zoveel te doen.
Het lampje begon te flikkeren en ineens was het donker in de slaapkamer. Ze schrok. Had ze nog wel nieuwe lampjes? Morgenochtend direct even kijken. In de keukenla misschien? Ze moest wel een lampje bij haar bed hebben. Stel dat ze er ’s nachts uit moest? Dan zag ze niets en kon ze wel vallen en verkeerd terechtkomen. De telefoon was veel te ver weg. Hoe lang zou ze daar dan wel niet kunnen liggen? Ze was als de dood om te vallen. Bij haar zus was dat ook verkeerd afgelopen. Zij belandde in het ziekenhuis met een paar gebroken botten en kwam er weer uit in een doodskist. Als het morgen niet zo hard waaide, kon ze misschien even op de fiets naar de supermarkt, een voorraad lampjes kopen. Ze kon de buurvrouw niet steeds blijven vragen voor ieder wissewasje. Die had zelf een druk leven.
Ze draaide zich nog eens om. De dekens waren zwaar. Nee, niet op die zij, dan deed haar heup zo’n pijn. Voorzichtig, andere kant. Ze dacht terug aan haar leven. Ze was ook altijd druk geweest. Na de oorlog direct begonnen te werken. Net achttien was ze. Verpleegster. Altijd voor anderen gezorgd. Tegenwoordig was er zo veel veranderd. Gemoderniseerd. Maar vroeger, toen was het nog echt werken. Van haar hechte groepje collega’s waren er nog maar twee over, waaronder zij. Ze zagen elkaar nooit meer. Ze konden niet bij elkaar komen. Afhankelijk als het om vervoer ging. Maar op verjaardagen belden ze nog altijd. Dat moest ze niet vergeten volgende week.
Ze luisterde naar de regen die tegen het raam tikte. Vroeger kalmeerde dat geluid haar, herinnerde ze zich. Toen kon ze er goed door slapen, maar nu niet meer. Alles was anders. Het waaide, het huis kraakte. Ze zat opgesloten. Opgesloten in haar lichaam, haar onrustige geest, haar huis, haar bed, de nacht, haar ouderdom. En de eenzaamheid. Morgen moest ze foto’s uitzoeken. Foto’s van alles wat geweest was. Niet vergeten die stapel van zolder ook mee te nemen naar beneden. Meteen doen als ze wakker werd, dan bespaarde ze weer een klim naar boven gedurende de dag. De trap was zo eindeloos. De treden bleven elkaar maar opvolgen.
Ze kon niet slapen en het was donker. Het werd steeds donkerder.
woensdag 14 september 2011
Uit zicht
Het brandde fel
Zichtbaar
Groen
Het flikkerde
Haperde
Twijfelde
Lang
Ze nam de nooduitgang
Zichtbaar
Groen
Het flikkerde
Haperde
Twijfelde
Lang
Ze nam de nooduitgang
vrijdag 9 september 2011
De Breed-slis-lach
Ik dúw je met je tanden
In de geelzure citroen
Om te bleken
Wat je daarbinnen krijgt
Voor je kiezen
De wrange wijn
Smaakt stroef
Als roest en vast
Een last
Die niet weg te spoelen is
Spúúg maar uit
We plaatsen er wel
Een beugel in
Dan valt het
Tenminste
Óp
In de geelzure citroen
Om te bleken
Wat je daarbinnen krijgt
Voor je kiezen
De wrange wijn
Smaakt stroef
Als roest en vast
Een last
Die niet weg te spoelen is
Spúúg maar uit
We plaatsen er wel
Een beugel in
Dan valt het
Tenminste
Óp
zaterdag 20 augustus 2011
Openbare vervoering
Toen ze de deur dichtsloeg en buiten stond, had ze geen idee meer waar ze was. Ze wist niet in welke wereld ze nu was gestapt en ze wist niet welke kant ze op moest. Het zag er hetzelfde uit als toen ze hier aangekomen was. De brede straat, het water, de huizen, de brug, het gras, de bomen, maar ze kon het niet meer herkennen. Het bedrijf op de hoek. Ze liep zomaar een kant op, omdat het eerste dat in haar opkwam was dat ze weg moest. Hoe dan ook, weg van hier. Dan zou ze vanzelf thuiskomen. Maar toen ze eenmaal weg was, had ze het gevoel dat ze nóg verder weg was. Ze pakte haar telefoon alsof het haar laatste redding was. "Wat zie je?" Ze vertelde dat ze niets zag, alleen maar wegen en auto’s en ze stond er middenin. Niemand die haar zag. Ze stond overal buiten. "Kun je me niet op komen halen?" "Nee, ik kan je niet ophalen als ik niet weet waar je bent." Ze zag alleen maar auto’s die voorbij flitsten. Ze snapte niet waar ze allemaal naartoe gingen. Het leek allemaal zinloos. Het zag er belachelijk uit, al die auto’s, alsof ze allemaal een doel hadden. Iedereen had een doel dat haar voorbij schoot. En zo snel. Ze huilde en lachte door de telefoon dat het belachelijk was. En dat er ook een bus was. Heel ver. Een bus. Hij stopte aan de overkant. "Dan moet je naar die halte gaan en dan kom je met de bus naar huis. Kijk eens bij de halte welke bussen daar vertrekken." De stem aan de andere kant van de telefoon leek van ver te komen, maar ze kon niets anders bedenken dan ernaar te luisteren. Ja, dat kan wel, dacht ze, maar hoe kom ik daar? Ze kon niet zomaar door alle auto’s. "Het is hier heel druk, ik snap er niets van!" Ze ging op de grond zitten, midden op het trottoir, en ze voelde de koude tegels. Ze ging liggen, op haar rug, tot ze zichzelf zag. Er was geen sneeuw, maar het was wel koud. Naast de stoeptegels lag een strook gras, dat zag er comfortabeler uit. Ze ging in het gras zitten, in de berm, naast de weg. De stem aan de telefoon was weg. Zorgvuldig stopte ze de telefoon in haar tas. Ze checkte wel tienmaal of de tas dicht zat. Ze observeerde de auto’s, de straat. Ze sloeg haar armen om haar knieën. Heel rustig zat ze daar. Ineens was de overkant er, ze stapte in de bus. De chauffeur zei dat hij naar het station ging. Ze wist waar het station was. Dat had ze gevraagd. Als ze daar was, zou ze het wel weer snappen. Ze ging zitten en zag de wereld voorbij flitsen door het raam. De wegen die ze niet herkende. Thuis hoorde ze de stem die ze gebeld had. Het maakte niet uit. De stem ging weg. Ze was alleen, maar thuis. Ze dronk energiedrank en luisterde muziek terwijl ze de hele nacht doorwerkte.
vrijdag 12 augustus 2011
De aanraking
Kun je horen
Hoe de muziek zweeft
In de deeltjes
Van de lucht
Het stof
Kun je zien
Hoe ze trillen
De tonen
In de sfeer
Mos
Kun je voelen
Hoe de kleuren mengen
In ons samenzijn
Los
Hoe de muziek zweeft
In de deeltjes
Van de lucht
Het stof
Kun je zien
Hoe ze trillen
De tonen
In de sfeer
Mos
Kun je voelen
Hoe de kleuren mengen
In ons samenzijn
Los
zondag 31 juli 2011
Achter het behang
Ze weet nog hoe het behang scheurde. Het witte behang dat geel was door de jaren en het leven en de rook. Oud. Het behang was dik en niet alleen. Laag na laag scheurde. Er zat een klein motiefje in, als nerven in hout. Grof als schors op een boom. Ze vroeg zich af of er ooit muur achter al die lagen behang tevoorschijn zou komen. Droom. Ze probeerde de muur te vinden, verder te scheuren, maar misschien bestond er helemaal geen muur. Misschien was het hele huis wel uit elkaar te scheuren van gemak.
Het huis waar nooit gebouwd was. Waar geen muren stonden. Zonder dak. Het huis waar alleen geplakt werd, laag over laag, om de vorige niet te zien. Het huis waar óp het behang geplakt werd. Ervóór. In het zicht. Voor iedereen. Op de boom. Zo werd de stam heel dik, maar de verhoudingen klopten niet. De takken konden niet meer groeien, dat zou niet staan. De buitenwereld zou het zien, meteen. Subtiel sierlijke en uitbundige takken in alle richtingen pasten niet op zo’n stam. Zelfs één bescheiden tak was teveel. Van bladeren was helemaal geen sprake. Dat kon nooit één boom zijn. Dat zou opvallen.
Er werd geschreven op het behang, in zwarte letters, met merkstift. Piepend, kracht en weinig inkt. Er werden woorden geschreven die ze nooit geleerd had te schrijven. Woorden die het papier niet kon verdragen, maar die ze las, en onderging. In zwart en groen en rood. Op al die lagen. Kinderachtig, maar overheersend. Genoeg. De takken groeiden naar beneden, omdat ze geen richting konden kiezen in de hoogte. Ze groeiden langs de stam en langs de woorden. Ze baanden zich een weg dwars door de lagen en de nerven, dwars door de woorden. In de lengte en de breedte. Overal. Ze groeiden tot ze de grond raakten en nog lager. Ze groeiden door. Door de grens met de grond. Ze raakten verstrikt in de wortels. Vertraging.
De wortels vormden het gevecht. De takken en de wortels verkeerden in strijd. Het was er zo donker dat ze zelfs terug verlangde naar het vieze geel van het behang. Maar ze kon niet terug. En verder evenmin. Er was geen weg. Maar de takken groeiden en kwamen naast de boom weer boven de grond. En ze waren met zoveel, dat ze samen een stam vormden. Eén die stevig stond. De takken verdrongen zich om elkaar heen. Ze kronkelden omhoog. Op weg om zuurstof te geven. Aan de woorden. Weg met het behang. Elke laag herinnerde alleen maar. Aan het geluid, het geluid waarmee het schrijven van de woorden gepaard ging. Nee, het krassen. Kalken. Op de nieuwe stam zouden geen woorden komen, maar de takken zouden hoog de hemel beschrijven. En de wortels begroeven het behang dat verging, maar de aanraking was geweest. Het scheuren deed pijn. Hard. Hartverscheurend. En het begraven voldeed niet. Vanuit de hemel was nog altijd de grond te zien. En soms scheurden de wortels de grond. De weg. Het wegdek. Omdat de takken niet de enigen waren die groeiden.
...
Het huis waar nooit gebouwd was. Waar geen muren stonden. Zonder dak. Het huis waar alleen geplakt werd, laag over laag, om de vorige niet te zien. Het huis waar óp het behang geplakt werd. Ervóór. In het zicht. Voor iedereen. Op de boom. Zo werd de stam heel dik, maar de verhoudingen klopten niet. De takken konden niet meer groeien, dat zou niet staan. De buitenwereld zou het zien, meteen. Subtiel sierlijke en uitbundige takken in alle richtingen pasten niet op zo’n stam. Zelfs één bescheiden tak was teveel. Van bladeren was helemaal geen sprake. Dat kon nooit één boom zijn. Dat zou opvallen.
Er werd geschreven op het behang, in zwarte letters, met merkstift. Piepend, kracht en weinig inkt. Er werden woorden geschreven die ze nooit geleerd had te schrijven. Woorden die het papier niet kon verdragen, maar die ze las, en onderging. In zwart en groen en rood. Op al die lagen. Kinderachtig, maar overheersend. Genoeg. De takken groeiden naar beneden, omdat ze geen richting konden kiezen in de hoogte. Ze groeiden langs de stam en langs de woorden. Ze baanden zich een weg dwars door de lagen en de nerven, dwars door de woorden. In de lengte en de breedte. Overal. Ze groeiden tot ze de grond raakten en nog lager. Ze groeiden door. Door de grens met de grond. Ze raakten verstrikt in de wortels. Vertraging.
De wortels vormden het gevecht. De takken en de wortels verkeerden in strijd. Het was er zo donker dat ze zelfs terug verlangde naar het vieze geel van het behang. Maar ze kon niet terug. En verder evenmin. Er was geen weg. Maar de takken groeiden en kwamen naast de boom weer boven de grond. En ze waren met zoveel, dat ze samen een stam vormden. Eén die stevig stond. De takken verdrongen zich om elkaar heen. Ze kronkelden omhoog. Op weg om zuurstof te geven. Aan de woorden. Weg met het behang. Elke laag herinnerde alleen maar. Aan het geluid, het geluid waarmee het schrijven van de woorden gepaard ging. Nee, het krassen. Kalken. Op de nieuwe stam zouden geen woorden komen, maar de takken zouden hoog de hemel beschrijven. En de wortels begroeven het behang dat verging, maar de aanraking was geweest. Het scheuren deed pijn. Hard. Hartverscheurend. En het begraven voldeed niet. Vanuit de hemel was nog altijd de grond te zien. En soms scheurden de wortels de grond. De weg. Het wegdek. Omdat de takken niet de enigen waren die groeiden.
...
dinsdag 5 juli 2011
De borrel
“Heb je zin om hierna nog een borrel te drinken?” Een borrel, zei ze. Het was een woord dat ik nooit zou gebruiken, maar er borrelde wel van alles bij me naar boven. Zoals ze dat vroeg. “Of drink je niet?” Ze keek naar me terwijl ze half in de schaduw en half in de zon stond. Ik kon haar gezicht niet goed zien. “Jawel,” haastte ik me te zeggen, “laat me je favoriete drankje maar proeven.” Haar ogen zag ik niet, maar haar mond lachte. “Doen we!” riep ze terwijl ze begon te rennen. “Wie het hardst kan!” schreeuwde ze naar achteren. Ze kwam moeizaam vooruit in het mulle zand.
Toen we even later neerploften, buiten adem, speelde ze met een schelp in het zand. Ze maakte figuurtjes. Ik keek naar het water, verderop. Ik kneep mijn ogen samen om mijn zicht scherper te stellen, terwijl ik de zon voelde branden op mijn huid. Ineens keek ze abrupt op, ze streek haar haar uit haar gezicht terwijl het steeds bleef terugwaaien. “Je kunt altijd de nooduitgang nemen, dat weet je toch?” Ik knikte, terwijl ik ook een schelp pakte en haar figuurtjes aanvulde. Ze keek wat ik maakte. “Jij ook.” Ze draaide zich even om om haar haar de juiste kant op te laten waaien, uit haar gezicht. “Ik blijf veel te graag zitten,” zei ze, “om te kijken wat het wordt.” Haar blik was op onze schelpenkunst gericht. Het geheel van in elkaar overvloeiende lijnen was nog net te zien, voor er een klein jongetje voorbij kwam drentelen, en met zijn voetjes het zand verplaatste.
“Wat mag het worden, dames?” De man die ons kwam bedienen, keek naar zijn blocnote. Hij had het op zijn dienblad liggen, met een pen in de aanslag om onze borrel te noteren. Ik was benieuwd wat ze zou zeggen.
Toen we even later neerploften, buiten adem, speelde ze met een schelp in het zand. Ze maakte figuurtjes. Ik keek naar het water, verderop. Ik kneep mijn ogen samen om mijn zicht scherper te stellen, terwijl ik de zon voelde branden op mijn huid. Ineens keek ze abrupt op, ze streek haar haar uit haar gezicht terwijl het steeds bleef terugwaaien. “Je kunt altijd de nooduitgang nemen, dat weet je toch?” Ik knikte, terwijl ik ook een schelp pakte en haar figuurtjes aanvulde. Ze keek wat ik maakte. “Jij ook.” Ze draaide zich even om om haar haar de juiste kant op te laten waaien, uit haar gezicht. “Ik blijf veel te graag zitten,” zei ze, “om te kijken wat het wordt.” Haar blik was op onze schelpenkunst gericht. Het geheel van in elkaar overvloeiende lijnen was nog net te zien, voor er een klein jongetje voorbij kwam drentelen, en met zijn voetjes het zand verplaatste.
“Wat mag het worden, dames?” De man die ons kwam bedienen, keek naar zijn blocnote. Hij had het op zijn dienblad liggen, met een pen in de aanslag om onze borrel te noteren. Ik was benieuwd wat ze zou zeggen.
Abonneren op:
Posts (Atom)