maandag 2 juli 2012

In vervoering

Het was erin geslopen. Ze had het niet aan zien komen. Ze had het bestaan ervan altijd aan andere mensen toegeschreven. Aan iedereen, behalve zichzelf. Ze had er nooit zo’n moeite mee gehad: afscheid nemen. Afscheid nemen bestond niet. Dat wist ze al vroeg. Weggaan was dus nooit afscheid. Niet voor haar. Ze wist dat het tijdelijk was en ze genoot van de tussentijd waarin veel gebeurde. Ze voelde zich vrij. Sterk. Ze zou wel weer eens terugkomen. Maar ineens voelde het niet meer zo. Ineens was de terugkomst niet meer zo vanzelfsprekend, en het weggaan niet meer zo logisch. 

Ineens wilde ze blijven waar ze was, waar dat dan ook was. Als ze maar niet weg hoefde te gaan. Het weggaan kostte zoveel energie. Ze wist niet goed waarom. Misschien was het de terugkomst, de thuiskomst. Misschien was dat waar ze tegenop zag. Misschien bleef ze liever weg. Van thuis hoefde ze nooit afscheid te nemen, thuis stelde niet veel voor. Thuis was altijd tijdelijk. Thuis was geboren uit noodzaak. Alles wat ze had droeg ze met zich mee. Thuis was maar een naam voor een plek, niet meer dan dat. Het gevoel vond ze bij mensen. Mensen op andere plekken. Mensen en plekken waar ze geen afscheid van kon nemen, al zou het moeten. Mensen en plaatsen waar ze aan gewend raakte als ze er was. Ze slurpte de vertrouwdheid op. Ze zoog het diep naar binnen. Maar zodra ze het gevoel van thuis kreeg, was het weer tijd. Tijd om weg te gaan. Het sloopte en het brak. Het vrat en het stak. Altijd maar onderweg. Onderweg naar rust, die eenmaal gevonden overging in onrust, vanwege het altijd naderende vertrek. De dagen die verstreken, de uren die weg tikten, de minuten die vergleden, de momenten die aan haar voorbij flitsten. 


Het was een vermoeiende reis. Ze werd er misselijk van. Ineens. Het was erin geslopen. Alleen als ze zelf aan het stuur zat, dan ging het. Dan bleef het achterwege: de reisziekte. Maar liever liet ze het stuur aan een ander over, omdat het dan ging, zoals het was. Omdat het dan één ding was, dat hetzelfde bleef. Zo kon ze wegdromen, in vervoering. Niemand moest haar zeggen dat ze uit moest stappen. Niemand, nooit. Dat was het kwaadste wat je haar kon doen. Je moest haar laten blijven, waar ze was, en met haar meegaan, waar ze ging.
...


zondag 24 juni 2012

De waarschuwing

Om mijn voortuin stond een hek. Een hek van staal, met hoge spijlen. Ik snapte niet waarom ik zo’n hek om mijn tuin had staan, maar het was vanzelfsprekend, van binnenuit gezien. Binnen was het groot, ik leefde in een huis vol vertrekken waar ik steeds nieuwe stukjes ontdekte. De tuin was klein. Het was een kort stukje van het huis tot aan de straat. Het was alsof ik mijn eigen huis niet kende. Het was er wel aangenaam. Aangenaam warm. Ik liep op blote voeten op een tapijt. Aan de wanden hingen gordijnen, op plekken waarvan ik niet eens zeker wist of er zich wel ramen bevonden. Het tapijt op de vloer was rood, net als de gordijnen. Het was prettig om er te zijn, maar ik had voortdurend het gevoel dat ik weg moest. Vroeg in de ochtend moest ik aanwezig zijn bij de opvoering van een toneelstuk. De hele nacht leefde ik daar onrustig naartoe. Een achtertuin was er niet bij het grote, statige huis. Andere mensen kwam ik er ook niet tegen, hoewel ik niet het idee had dat ik er alleen woonde. Ik wist niet eens zeker of ik er zelf wel woonde. Ik ontving er wel mensen. Ze waren onderweg.

Tegen de ochtend keek ik uit het raam de voortuin in en toen zag ik het. Een rode kat was aan één van de spijlen van mijn hek gespiest. Het staal dwars door zijn lijfje. Naar onderen toe was het zwarte hek rood van het bloed. Het deed me niets. Ik constateerde het alsof ik een vogeltje in mijn tuin zag rondlopen. Ik ging dus ook gewoon de deur uit, op pad. Gedurende de dag begon ik er steeds meer over na te denken. Ik bleef maar denken aan het moment dat iemand de kat, levend nog op dat moment, aan het hek geregen moest hebben. Ik moest mezelf dwingen daarover na te denken en het voor me te zien, want ik kon niet begrijpen hoe ik er zo luchtig over deed. Ik dwong mezelf. Het werkte. Ik stelde het me voor en ik voelde het. Ik voelde de pijn. De pijn, de walging en de afkeer. Maar het zicht deed me niets. Ik vond het alleen gek dat het hek er stond. Dat was het ook.

De kat was zacht en warm. Het staal koud en hard. 

zaterdag 9 juni 2012

Voor mij in de rij

Man kocht:
toiletpapier
bier
blikjes
kattenvoer
en worst
Ik dacht
alleen maar:
nee
hier
houdt het op

woensdag 6 juni 2012

Strepen

Van het huis herinnerde ze zich vooral de tuin, die rondom lag omdat het een hoekhuis was. Ze kon zich nauwelijks meer een voorstelling maken van het interieur ín het huis, behalve dan van het behang in de woonkamer. Het was zwart. Zwart met strepen, waarvan het leek of ze er willekeurig op gegooid waren, als hagelslag. En luxaflex. Binnen hing er luxaflex. Ze keek door strepen.

Buiten was het duidelijk. De achtertuin met de grote felgekleurde schommel verstopt in de hoek, de zandbak tegen de schutting, en het tuinhuisje van hout waar ze soms logeerde. Door de schutting kon je kijken, door de houten strepen. Ze keek naar het smalle voetpaadje dat erachter liep. Dan begon de tuin van de buurman. Ze zag er vaak het kleine fietsje van haar jongere broer staan. Hij ging dan op bezoek, ver weg. Zij niet, zij durfde niet. Liever bleef ze dicht bij huis.

Dichter bij het huis lag het terras, op de grijze tegels, tegen de schuur. Ze speelde dat het haar domein was. Ze had kartonnen dozen uitgevouwen op de tegels. Dat was haar schip. Aan de zijkant van het huis lag het tuintje met de aardbeienplantjes. Ze hield ervan om te kijken hoe ze groeiden en ze wachtte het hele jaar tot ze aardbeien mocht plukken, samen met haar moeder. Van de andere planten die er groeiden kende ze geen namen. Dat hoefde ook niet. De aardbeienplantjes waren het belangrijkst.

En dan had je nog de hoek waar de dode huisdieren begraven werden. Heilige grond waar je niet mocht lopen. Dat zou de dieren pijn doen, daar was ze van overtuigd. Regelmatig zette ze het houten kruis, door vader in elkaar getimmerd, weer recht in de grond. Op het hout had ze met veel moeite de namen van de dieren geschreven; ze kon nog maar nét een beetje schrijven. Het kruis moest er altijd blijven staan. Ze kon niets menselijks meer zien in haar vader en moeder als deze voorzichtig opperden dat het tijd werd dat het stuk verrotte hout de tuin uit ging.

De voortuin bestond vooral uit gras, met een hoge brede heg eromheen. Het was hier dat ze vaak rondjes liep, langs de zijkanten, met haar ogen dicht. Ze prevelde er kleine gebedjes over grote dingen. Zachtjes wel, want aan de andere kant van de heg was het trottoir en daar konden mensen lopen. Door de heg kon ze kijken, soms, niet overal. Dan zag ze de straat en het grasveld tegenover, voor het kerkje. Daar speelde ze, met de buurkinderen.

Ze herinnerde zich vooral het gras in sprieten. Het gras in strepen, willekeurig neergegooid, als hagelslag.

Op hoop van zometeen

De tijd gevuld
Met niets
Niets dan tijd
En eenzaamheid
De tijd zonder
Uitzicht en keer
Op keer
De muur
Aan de klok
Stil

Relativerend:

Zometeen
Is het toch weer
Achteraf

vrijdag 18 mei 2012

Poep

'Poep,' zei hij. Dat zei hij wel vaker voor hij aan zijn eten begon. Je kon merken dat het vrijdag was. Hij zei ook wel eens iets anders, maar niet op vrijdag. Vrijdag was het poep, nog voor de gedopte boontjes het verteringskanaal in gleden. Iedere dag had zo zijn woord. Op maandag was het gember, dinsdag nootmuskaat, wat flauwtjes nog. Woensdag kwam de kracht. Dan bulderde hij 'roede' tot hij de buurvrouw hoorde niezen. Het was gek dat ze dat altijd deed. Als ze dood ging, moest het anders gaan. Donderdag was pikhouweel, vrijdag volgde dus de poep om zaterdag en zondag af te sluiten met kroepoek en kapotte snaar. Logica bestond niet, net als dagen. Het waren slechts woorden willekeurig en gebruiken die houvast boden. Intuïtie zei hem niets. Bizar zat hij voor zijn fornuis als hij zijn eten bereidde. Op een kruk die draaien kon. Heel stil zat hij dan te kijken naar het voedsel in de pannen. Nee, kijken was het niet, observeren des te meer. Alsof hij aan het water zat te vissen, zoals zijn vader altijd deed. De hitte steeg naar zijn hoofd en kleurde hem rood, maar hij week geen millimeter van het vuur. Tafel dekken deed hij niet. Zodra het water in de pannen genoeg geborreld had, zette hij de roestvrij stalen gevaartes op de houten tafel. Mes en vork in beide handen -knuisten- en eten maar. Eten als een beest. Terwijl hij zijn eerste hap naar zijn mond bracht, zei hij het dan: 'poep.'

Zijn vrouw kraste op de kalender de dagen door. Eten deed ze niet. Ze stond erbij en keek ernaar. Van willekeur en wanhoop maakte ze knipbewegingen met een schaar. Hij schoot een doperwtje in haar haar. Zij sloeg het plat als een vlieg. De groene smurrie liet ze hangen en begaan.

zaterdag 12 mei 2012

Een stemgeschiedenis

Nooit had ze haar stem zoveel gebruikt. Haar stem was functioneel en verder niet. Ze kon zelf zo schrikken van het geluid dat eruit kwam, dat ze het maar liet. Het echoode in haar hoofd. Alleen in dat van haar. Ze schrok, omdat ze niet gewend was ernaar te luisteren. Haar stem kwam niet vanuit haar. Het voelde alsof iemand een muntstukje in haar mond had gegooid waardoor ze begon te praten als het moest. Als het gewenst was. Als het kon. Ze had nooit veel ruimte gehad, dat kon je horen aan haar stem. Die kwam vanuit haar keel. Lager ging het niet. Ze had gemerkt dat anderen harder schreeuwden. Dat was alles wat ze hoorde, terwijl ze haar handen tegen haar oren drukte. Ze dacht dat ze dat niet kon, praten, spreken, schreeuwen. Ze wist niet hoe. Ze wist niet hoe er naar haar geluisterd zou worden.

Tot ze haar stem moest laten gelden. Als ze sprak vanuit haar keel, sprak ze wat ze zeggen moest, maar eigenlijk zei ze niets. Een duidelijke mening bracht ze niet naar voren, nooit. Die had ze ook niet echt. Je wist niet wat ze dacht. Ze kon veel kanten begrijpen en bekijken. Ze wilde veel zien, maar ze wist niet waar ze zelf zou staan. De achtergrond was prima, om te zijn.

Totdat dat niet meer mocht. Er werd aan haar getrokken, niet echt zacht. Haar stille wereld werd verstoord. Haar handen werden vastgebonden, ze kon haar oren niet meer beschermen. Ze hoorde alles wat ze zeggen zouden. Het horen was niet eens zo erg, maar de echo, de echo ging maar niet meer weg.

Zo wist ze wat ze níet wou. Ze voelde het niet alleen in haar keel, maar overal. Haar lichaam sprak. Nu zou ze moeten spreken, maar wat ze zei, werd niet gehoord. Ze had het altijd al geweten. Ze had het zelf zover gebracht. Ziek van al dat moeten, moeten spreken, moeten zijn. De verwachtingen deden pijn, de ogen sneden door haar heen.

Nieuwe wereld, nieuwe mensen, niet begrepen. Steeds opnieuw. Ze snapte niet wanneer ze praten moest. Het leek of iedereen een spel speelde, waarvan de regels vanzelfsprekend waren, maar zij begreep ze niet. Ze wachtte op haar beurt, maar die kwam maar niet. Niemand die haar iets vroeg, niemand die meer naar haar keek. Een antwoord werd niet afgewacht. Ze moest wel naar zichzelf gaan kijken, om te weten dat ze er nog was. Ze zag zich staan, tussen alles en iedereen, alleen. Ze zag haar geworstel en wilde nu haar handen ook voor haar ogen drukken. Rennen naar haar eigen wereld, waar ze veilig was. Maar voor oren en ogen had ze niet genoeg handen die bedekken konden. Ze onderging en kwam erdoor, te boven.

Ze vond manieren om haar wereld te kunnen delen, soms. En soms, soms werd er naar haar geluisterd. Ze onthield altijd wie, wanneer en waarom. En wie niet. Zo wist ze wat ze zeggen kon. Ze bouwde haar eigen stemgeschiedenis. Ze leerde ook praten over niets. Ze leerde dat het een middel was en niet een doel. Ze leerde dat je dichterbij kon komen, met niets. Ze leerde dat dit was hoe het ging. Ze leerde dat mensen haar herkenden, zagen, en zwaaiden vanuit het niets.

Ze voelde dat ze er was. Alleen soms nog even niet. Dat mocht zo zijn. Haar wereld was van haar. Afscheid nemen was zo makkelijk niet. De waarschuw-echo was van kracht. Ze bewaakte en verdedigde uit alle macht. Soms brak haar stem. Dan klonk hij hoog en klein, en kwam van ver. Dan wou ze terug, om nooit meer hier te komen. Dan kon ze niet meer zien of horen, spreken. Alles was te veel.

Ze zou haar stem laten gelden. Ze dwong zich in die rol. Het geluister schreeuwde haar toe. Verwachtingen hingen in de lucht. Verwachtingen die ze onderscheiden zou.

...








woensdag 9 mei 2012

Zebrapad

Ze voelde zich zwart. Er hing een zwarte waas om haar heen waar ze zich heel bewust van was. Ze had zich afgeschermd van de wereld. Ze kon de dingen om haar heen niet goed zien en anderen konden haar ook niet echt zien. Ze keek niemand aan en als ze praatte, kwam het geluid van hoog uit haar keel. Een dun geluid. Ze kon praten tegen wie ze wou, maar het was of niemand haar hoorde. Ze had wel door dat ze niet duidelijk sprak, maar ze had de energie niet om dat aan te passen. Ze keek eens op de klok, maar die stond stil. Ze kon het niet eens voorbíj laten gaan. Ze kon niets. Ze had zin om op elke vraag een zwak antwoord te geven. Ze kon het zich niet veroorloven enthousiast te zijn. Dat voelde ze gewoon niet. Ze probeerde de waas door te prikken. Het was een grijze massa, een soort rookwolk. Als ze op straat liep, zag ze het. Ze zag zichzelf lopen in die wolk. Die grijze wolk van smog –het verkeer raasde om haar heen- zwierde om haar heen als ze het zebrapad over stak. Ze keek niet eens, of de auto’s stopten. Ze liep gewoon. Ze deed wat ze doen moest, ze deed wat de dag haar vroeg. De wolk verplaatste soms, dan weer lag het zwaartepunt rond haar voeten, dan om haar middel en dan om haar keel, haar hoofd. Het regende en ze sprong over een grote plas water. Daarbij viel haar telefoon. Middenin de plas. Ze vloekte. Dat deed ze nooit en ze schrok er zelf van. Ze stak haar druipende telefoon in haar zak en lachte terwijl ze het niet grappig vond. Ze vond sowieso niet veel. Het was of ze geen mening had. Of haar gevoel was afgepakt. In de nacht werd ze ieder uur wakker om op de klok te kijken en te berekenen hoe lang ze nog had om in bed te liggen. Ze wenste dat ze voor onbepaalde tijd in bed kon liggen, maar lekker lag ze niet. De ochtend drukte zwaar op haar gemoed. De dag werd ze gedragen door haar waas en ’s avonds dwaalde ze door de supermarkt. Ze had geen zin om ergens moeite voor te doen, dus kocht ze dingen die direct eetbaar waren zonder voorbereiding. Ze wilde die zwarte wolk niet voeden. Soms duwden er mensen tegen haar wolk. Soms kwam er iemand door. Soms liet ze iemand binnen. En eenmaal binnen, werd de wolk groter. Er was ineens meer ruimte. En langzaam, heel langzaam, zag ze de wolk oplossen. Het was of ze door de mist liep en ineens op een helder stuk kwam. Alsof ze er even uitstapte. Maar het hing nog op de loer. Net boven haar hoofd. Er was maar iets heel kleins voor nodig en het zou weer dalen. Ze keek eens naar links, naar rechts, en nogmaals naar links, voor ze overstak.




maandag 7 mei 2012

Geloof

Zekerheid hadden ze nooit gehad, zoals niemand. Gemak en vanzelfsprekendheid waren er ook niet bij. Goed was het wel, goed vanaf het begin. Een zo-moet-het-zijn-goed. Een goed in de diepste zin van het woord. De vertrouwelijkheid was er na de eerste blik, nooit verdwenen ook. Ze zou het bijna willen typeren als een onvermijdelijkheid. Zij en hem was zo’n logisch vervolg van het elkaar leren kennen dat niemand daaraan zou twijfelen. Zijzelf nog het minst. Vanaf het begin wist ze zeker dat hij het was en zou zijn. Ze kon hem alles zeggen wat er in haar opkwam en hij haar. Vanaf het begin had hij haar het gevoel gegeven perfect te zijn zoals ze was. Ze had hem deelgenoot willen maken van alles in haar leven, want hij hoorde daarbij. Ze was iemand die altijd graag alleen was, maar hem wilde ze in haar buurt, in haar aanwezigheid. In zijn aanwezigheid wilde zij zijn. Het was soms net of hij er niet was, zo gingen ze in elkaar op. Samen waren ze alles, één. Hij was degene die over haar schouder meekeek bij alles wat ze deed en dan in haar oor fluisterde hoe goed dat was. Sterk voelde ze zich. Met zijn schouder in haar buurt durfde ze alles, kon ze de wereld aan. Ze wilde de wereld in, met hem. Hoe ze eerst vanaf de zijlijn stond te kijken, nu speelde ze mee, middenin. Hij had haar naar de middenstip geduwd. Hij wilde haar zien stralen. Niet altijd kon hij zelf het stralen opbrengen, al deed hij zeer zijn best. Zijn energie was soms even weg. Zo ver soms zelfs, dat ze hem niet meer herkende. Ze wist zich geen raad toen ze merkte dat ze hem niet sterken kon zoals hij haar. En hij haar niet meer. Ze miste wat ze had, aan hem. Ze miste wie ze was. Ze gaf hem al haar energie, maar dat was nog niet genoeg. Ze moest hem laten gaan, want ze vroeg te veel van hem en hij van haar. De zekerheid was weg, vervlogen. Eén ding was gebleven, en dat was het geloof. Het weten. Dat hij het was, en blijven zou. Het gevoel zo diep vanbinnen dat niet weg zou gaan. Verankerd houden van. Hij was teruggekomen, natuurlijk, maar de afstand bleef nabij. Ze kon de afstand bijna aanraken. Net als hem. Ze kon hem bijna aanraken. Met de aanraking kwam de afstand. Ze wist niet waarom, en of ze het ooit begrijpen zou, maar met de aanraking was ze weg. Weg terwijl ze blijven wou, uit alle macht.

...