Hij groette haar enthousiast. Toen ze hem zag, kreeg ze de neiging om hem te omhelzen. Dat de werkelijkheid niet eens in de
buurt van een aanraking kwam, maakte niet uit. Ze voelde zich door hem gesteund
en dat begon al bij de begroeting. Het was één van de eerste koude dagen en ze
zag hem voor het eerst in een trui waar hij anders altijd overhemden droeg. Ze schrok
van de uitwerking die de trui op haar had. Het informele gehalte. Zijn hoofd
boven de stof leek ineens stukken zachter, vriendelijker. Zijn haar zag er
soepel uit alsof het net gewassen was. Ze dacht dat het wel statisch zou worden
als hij zijn trui uit zou trekken. Hij glimlachte, zijn ogen leken helderder
blauw dan ze ooit had opgemerkt en hij praatte maar door. Hij bleef praten
omdat hij wist dat ze een stilte nu niet kon verdragen. Ze zag hem zijn best
doen. Hij had het nergens over, maar hij stelde haar op haar gemak. Het liefst wilde
ze hem dat laten weten, maar dat lukte niet. Er kwam niets uit haar mond. Soms
probeerde hij wat minder over niets te praten en wat meer over wat ertoe deed,
maar zodra hij haar ogen zag, had hij het begrepen. Hij moest lachen om haar stelligheid
en haar onbeholpenheid. Haar stelligheid dat er niets aan de hand was, terwijl
hij zag dat ze uit evenwicht was. Haar onbeholpenheid om daar vervolgens niets
over te kunnen zeggen. De ontkenning die de bevestiging in zich had. Hij vroeg
wat haar nou zo raakte. Hij vroeg hoe het kwam. Hij leek oprecht
geïnteresseerd. Het verwarde haar. Ze zou hem alleen al antwoord willen geven
omdat hij was zoals hij was, maar ze zei niets. Ze haalde haar schouders
op. Het was de vriendelijkheid die haar
raakte. De vriendelijkheid, en niets dan dat. Op zachte toon sprak hij verder,
alleen tegen haar. Hij mocht alles zeggen. Het was gepermitteerd. Ze had
toestemming gegeven.
Ze hoopte dat hij de volgende keer zijn overhemd weer droeg.
Het was het gemoedelijke dat in zijn karakter was geslopen
dat mij zo raakte. Mijn hoofd zat dikwijls vol, te vol voor een hoofd, terwijl
ik best een groot hoofd had. Dat zat in de familie. Min of meer. Het was niet zo dat mijn hele familie met buitensporig grote hoofden
rondliep. Toch was de omvang van mijn hoofd vaak groter dan die van een ander.
Op foto’s zag je dat goed. Zijn hoofd leek echter eerder te krimpen. De wangen
waren ingevallen en het was of de diepe rimpels en groeven in zijn voorhoofd
een deel volume wegnamen. Zijn neus was riant. Daardoor kwam er weer wat
evenwicht. Zijn oren bleven klein, hoewel oren groeien met de jaren. Bij hem
leek dat niet op te gaan. Zijn oren bleven bescheiden. Ik wist niet wat dat te
betekenen had, hoewel ik er graag een betekenis aan had gegeven. Ik kon slecht
tegen dingen zonder betekenis, ook al waren het oren. In principe geloofde ik
niet in dingen die niets dan dingen waren. Niets stond op zichzelf. Overal zat
iets achter. Dat moest. Mijn hoofd zat dus dikwijls te vol. Nu ik erover
nadenk: van zijn haar was ook niet veel over. Dat zou gezichtsbedrog kunnen
opleveren. Een hoofd zonder haar leek algauw een stuk kleiner. Vroeger had
hij een volle haardos, vroeger toen ik klein was. Ergens is het zonde dat ik
niet meer klein ben. Mijn moeder bewaart een foto van mij van toen ik klein
was. Ze wil herinnerd worden aan die tijd. Aan die tijd en mijn schattigheid.
Ze kijkt ernaar als ze boos is om wie ik nu ben. Als ze moeite heeft met
acceptatie. Zo kalmeert ze zichzelf. Ik zie mezelf voorzichtig glimlachen zoals
ik was toen ik klein was. Mijn vader met de kleine oren en de grote neus zegt
dat ik cameraschuw was. Volgens hem is het een wonder dat ik op die foto
gekomen ben. Mijn vaders rimpels in zijn hoofd komen door hoe ik was toen ik
klein was. Mijn vader kan beter met mij omgaan zoals ik nu ben. Nu, als in:
niet meer klein. De heimwee naar vervlogen tijden zoals mijn moeder die kent,
is mijn vader vreemd. Mijzelf ook. Dat komt omdat ik me niet meer herinner wat
er in mijn hoofd was toen ik klein was. Zo klein als op de foto. Het lijkt
alsof ik nooit bestaan heb. Daar kan ik niet tegen. Mijn vaders gemoed
bevestigt mijn bestaan. Mijn grote hoofd staart hem aan. De schuwe glimlach is
voor haar. Schaterlachend. In mij zit zij, zoals ik in haar, al herkent ze me
niet altijd. Dat is wat het doet; de tijd.
De gemoedelijkheid van
de dagen
en de daken
de weilanden
bedekt met wit
Het onaangeroerde van
het landschap
en de dieren
en de lucht
bedekt met zorgeloos
Ze steken af
tegen
het zorgeloos wit
terwijl ze samenvallen;
de dingen die er zijn
En de strepen
en de stappen
de voorzichtige tred
en de haastjager
leefden er naast elkaar
tezamen
in het beeld
tussen de kozijnen
van mijn raam
En binnen tikt de kachel
van gemoedelijkheid
en geruste groet
De warmte blaast
en ik voel mij omarmd
door deze eenvoud
Zo aan mijn zij
zo zuiver zacht
vannacht
Soms is het ineens zo. Voorbij. Sommige dingen hebben een
lange aanloop nodig, maar dan is het ook ineens zo. Dan zijn ze voorbij.
Althans, dan is dat besef er. Dan voel je het. In feite was het natuurlijk al
veel langer voorbij. Maar voordat je je dat realiseert, ís het nog niet zo. Zo
kun je heel lang iets in stand houden. Het is immers zoals je het ziet, zelfs
als het anders is.
Soms wil je een liedje nooit meer horen. Vanwege de
herinnering. Van de begintonen krijg je al jeuk of rillingen. Als de tekst
inzet, wil je je handen voor je oren houden en er heel hard doorheen
schreeuwen. Als je de melodie te pakken hebt, ben je al te laat. Dan is het
gebeurd. Terug. Terug in de tijd. Terug in de herinnering die je wilt ontwijken omdat je hem niet
kan gebruiken. Niet nu. De hele dag houd je het in je hoofd tot je wanhopig
heel hard andere nummers gaat draaien om dit maar te overstemmen. Maar nummers
zonder herinneringen en zonder associaties bestaan niet, dus je maakt een
dramatische reis door de tijd waar je moe van wordt en er rest niets dan alleen
het nieuwste van het nieuwste te luisteren. Zodat je dat je dan de volgende keer
associeert met dit moment dat je uit alle macht probéérde...
De pest is, dat het niet alleen voor liedjes geldt. Gold het
maar alleen voor liedjes. Maar nee, het kan
zitten in woorden, kleuren, geuren of namen. Het kan zitten in manieren, schilderijen, deuren, plaatsen. Het zit in programma’s, in boeken, in wolken, in
ogen, in glazen, in stoffen, in accenten, in blikken, in
jezelf, in werkelijk álles. Er is te veel aan die herinnering waar je niet aan herinnerd wil worden omdat het
pijn doet in iedere vezel van je lijf. Te veel. En dus is er ook te veel wat je ermee associëert.
Soms wil je een liedje juist wél horen. Vanwege diezelfde
herinnering en diezelfde pijn. Soms is het niet erg. Dan kun je eraan toegeven
en dan mag het er zijn. Dan is het oké. Het is van jou. Dat heb je wel geleerd.
Ontwijken heeft geen zin. Doe je ook niet. Heus niet. Maar je moet het wel
kunnen controleren. Je moet dat moment wel zelf kunnen bepalen. Het kan je niet
op ieder moment overvallen. Op sommige momenten kun je het gewoon niet
gebruiken, dan ben je met ándere dingen bezig. Dan wil je met andere dingen
bezig zijn. Dan wil je je kunnen concentreren op wat er nu gebeurt. Nu, wat
niets te maken heeft met toen, al volgt alles elkaar op.
Maar het is zo. Ineens. Het is voorbij. Het is niet nooit
gebeurd, maar het is voorbij. De herinnering is niet verdwenen, maar de echo
wordt zachter. De echo fluistert naar je: het is voorbij. Het is oké. Luister
maar en wind je niet zo op. Laat het zijn. Het is geweest, voorbij.
Ik zie zijn mond. Hij is scheef. Het hele gezicht zit scheef
in elkaar, maar de mond is echt scheef. Het is net of hij in zijn linkerwang
gehamsterd heeft en met de rechterkant probeert te praten. Het leidt ontzettend
af. Ik hoor hoe hij vertelt en vragen stelt. Ik hoor mezelf algemene antwoorden
geven terwijl ik de omgeving scan. Hij staat dichtbij. Steeds als ik een stapje
opzij doe, stapt hij mee. Hij blijft me aankijken. Ik moet wel terugkijken, af
en toe. En steeds stuit ik weer op die scheve mond. Hij drinkt wijn en ik ruik
de wijnlucht uit zijn mond terwijl hij praat. Hij staat echt te dichtbij. Ik
kijk naar de bar waar de drankjes worden geschonken en ik zie mijn kans schoon.
Ik verontschuldig me en zeg dat ik even wat te drinken ga halen. “Wat wil je hebben?
Ik haal wel even wat voor je.” Hij begrijpt het niet. Natuurlijk niet. Te dichtbij om te kijken of te luisteren. Gauw roep ik dat dat niet
nodig is en dat ik wat andere bekenden zie. Met mijn drankje loop ik de ruimte
door. Dan tref ik anderen. Bierdrinkend, maar ik ruik het niet. De weg is weer
vrij.