woensdag 17 juli 2013

De oceaan

Haar kamer was de oceaan. Haar bed het schip. De stoel een eiland, het kussen op de grond een haai. De muren, wit behangen, waren hoge golven. De planken aan de muur andere schepen, vijandig wel misschien. Ze mocht de grond niet raken, want dat zou de verdrinkingsdood betekenen. De haai lag op de loer.

De deur stond open en vanaf de drempel was ze veilig. Om buiten de kamer te raken, moest ze vanaf het voeteneind van haar bed een spagaatsprong maken. Ze kon het, maar het bleef spannend, steeds opnieuw. Haar hart klopte in haar keel. De overloop, die zich achter de drempel bevond, was veilig land voor even.

Vanuit het raam, direct achter het hoofdeinde van haar bed, had ze een vergezicht. Alleen maar blauw, alleen maar zee, oneindig lang, oneindig ver. Het raam hield ze dicht, de kamer was al groot genoeg, al was hij klein. Het raam openen was gevaarlijk bovendien, uit het raam kon je vallen. De vensterbank was van kunststof, wit. De planken aan de muur leken te bewegen, ze kwamen op haar af. Er zaten poppen op. Grote kraalogen keken haar aan. Midden op haar schip was ze zichtbaar en vogelvrij. Het dekbed over haar heen bood niet genoeg bescherming meer. Wapens had ze niet, dus ze moest verstoppen, verdwijnen, weg.

Als ze dichtbij het voeteneind aan de rechterkant op de rand van haar bed ging staan, kon ze de deur van de kledingkast aanraken. De kledingkast was wit, alweer. Er zaten schuifdeuren in. Rechts was het gedeelte met planken, en er lagen stapeltjes kleren. De linkerschuifdeur gaf toegang tot het hanggedeelte. Er hingen kleren, maar die raakten niet de grond, de bodem van de kast. Vanaf het bed kon ze met een grote stap onderin het linkerdeel van de kast belanden. De deur ging gemakkelijk open, te schuiven vanaf het bed. Dan moest ze alleen nog zorgen dat ze tussen het bed en de kast de grond niet raakte. Het lukte. Ze trotseerde het water.

Eenmaal in de kast ging ze zitten met haar rug tegen de achterwand van de kast. Haar benen trok ze op, tot haar knieën haar neus bijna raakten. Eén arm stak ze vooruit om van binnenuit de kastdeur weer dicht te schuiven. Dan werd het donker, kledingstukken om haar hoofd. Ze sloeg haar armen om haar knieën. Niemand kon haar hier vinden. Ze giechelde. Ze was iedereen te slim af geweest. Stil. Verstopt, verdwenen, weg.

woensdag 3 juli 2013

Een vers van was

Ik hou van de geur
van geluk?
zou hij vragen
Nee, jawel,
maar dat bedoel ik niet,
niet nu.
van verse was.
Kledingstukken
in kleuren
rozeblauw
tot zacht.

Kledingstukken,
lappen stof
en lakens,
die de lauwe
laaghangende lucht
in de ruimte -doorleefd-
in zich opnemen
om verse lucht
- vol levenslust -
uit te ademen
de kamer in.
En buiten is het anders.

De kamer krijgt nieuw leven.
De kamer niet alleen.
De wereld wordt herinnerd
aan al wat komen gaat.

Kledingstukken die gaan
gebeuren -nog onbekend-
Avontuur dat nodigt
uit. De bloemen
in het veld. Ik zie ze
wapperen, vanbinnen.
Ik hou van de geur,
van verse was.

En ook van geluk.

donderdag 27 juni 2013

Gek

-          Ik heb een paar jaar opgesloten gezeten.
Opgesloten?
-          Ja.
Hoe bedoel je? Je bent toch geen crimineel?
-          In een gekkenhuis.
Een gekkenhuis?
-          Ja.
Zo noem je dat toch niet?
-          Waarom niet?
Waarom zat je daar?
-          Omdat ik gek was.
Doe nou eens serieus. Wat was er?
-          Als jij me niet serieus neemt, doet niemand het. Ik was gek en daarom zat ik in een gekkenhuis. Zo noemen we dat gewoon.
We?
-          Nou ja, de mensen die daar zitten.
De gekken dus.
-          Ja.
En nu?
-          Wat?
Ben je nu nog gek?
-          Nee.
Wanneer is dat veranderd dan?
-          Toen ik daar weer weg ging.
Oh. Dus nu ben je normaal?
-          Ik ben beter.
Ga je nog wel eens naar de gekken?
-          Nee.
Waarom niet?
- Omdat ze gek zijn. 
Oh.

zondag 23 juni 2013

Geluk

Ze vroeg het al voor ze goed en wel in de auto zaten en onderweg waren. "Zullen we straks stoppen bij een tankstation?" Hij moest lachen terwijl hij de auto de straat uitreed. "Dat vind ik altijd zo'n leuk momentje!" Haar enthousiasme was niet gespeeld. Hij zette de radio aan en zette zijn zonnebril op. "Zeker omdat je weer wat te eten wilt hebben." Het was even stil terwijl hij een kruispunt overstak. "Ja, we stoppen straks wel een keertje. Eerst even een stukje rijden." Ze klapte een paar keer snel in haar handen. Bekend terrein gleed voorbij en algauw zaten ze op de snelweg. "Ik vind het nu al leuk," zei ze. Ze concentreerde zich op de horizon. Ze spraken over de kleuren van de auto's die ze tegenkwamen, het weer en het idee. Ze lachten om elkaars stemmen, de rotzooi in de auto en om niets. Ze kraakten de medepassagiers op de weg af, net als de muziek op de radio. Ze waren onderweg. Hij hield wat politieke beschouwingen. Zij was misselijk en hij zag de Eiffeltoren midden in Nederland. "Serieus, die heb ik hier nog nooit gezien. Stond die er altijd al?" "Geen idee, ik let nooit op."

Het was druk op de parkeerplaats bij het tankstation. Ze renden naar het winkeltje. Hij trok haar voor een auto vandaan. "Je moet zelf eens opletten, je stelt je zo afhankelijk op." "Ik vertrouw jou gewoon volledig!" riep ze. De zon scheen. Mensen picknickten bij hun auto's. Het gras was te hoog en er lag te veel afval naast de prullenbakken, maar er was geen gevaar. Ze betaalde vijftig cent voor het toilet en hij stond tegen de auto geleund te wachten toen ze hard stampend op de tegels van het trottoir terugkwam.

Toen ze hun weg vervolgden, rook hij aan zijn handen. "Dit is de geur van geluk." Ze keek vreemd terwijl ze diep inademde. "Benzine en Red Bull, dan ben je onderweg. Dat voelt altijd goed." Ze dacht nog dat ze deze uitspraak niet moest vergeten. "Dit soort momenten moet je onthouden," zei hij, "wanneer je gelukkig bent." Hij zei het meer tegen zichzelf dan tegen haar. "Ja," zei ze alleen maar.

Onderweg zijn voelde goed.

...




vrijdag 21 juni 2013

Ik dacht

Weet je wat ik dacht?
Ik dacht dat het zou duren
de dagen van de maan
die naar me lacht
en danst als zwevende
confetti, rijst en bellenblaas
of om het even
onder de aanblik
van het idee
dat het zo zou zijn
zo mooi,
zo goed,
zo fijn,
helaas


dinsdag 4 juni 2013

Zwieren

Ik zou je willen schrijven, zingen, schreeuwen
zachtjes door de zakelijke zomerlucht
de woorden die je me leerde
toen ik ze nog niet begreep

Ik zou de dingen grijpen uit de lucht
die er vol van hangt
Knijpen in mijn vuisten
en richten door de avond

Ik zou je willen gooien, grijpen, zwaaien
zwoegen door de tijd
de kogels die je me verschafte
toen ik ze koesterde
als mijn wapenschild

Ik zou je vangen in de lucht
tegenhouden en omarmen
Ik zou je lachen
neerkomend op de grond
gewond geworpen
is het dat ik zwaai
ik zwier




donderdag 30 mei 2013

Nooit meer wachten

Wachtend op de lift
Dacht ik: nooit
Nooit weer
Ik kom hier nooit weer

Het weggaan kon ik
Niet verdragen
Het weggaan
Keer op keer

Wachtend op de lift
Telde ik de verdiepingen
De tijd die ik nog had
Ik telde de tijd
En zoveel meer

Wachtend op de lift
Moest ik me vermannen
Niet achterom te kijken
En terug te rennen

Het afscheid
Tot de volgende keer
Onbekend nog
Deed zo’n zeer

Wachtend op de lift

Op en neer
En
Heen en weer
Wachtend
Op de ommekeer 

dinsdag 28 mei 2013

Onder de huid, zonder zorgen

Zijn enthousiasme klonk gematigd. En alleen als ze ernaar vroeg. Dat dus. Het was als een retorische vraag waar geen ander antwoord op kon volgen. Hij kon er net zo goed geen snars van menen. Het kwam niet vanuit hem. Het kwam uit haar. Zij trok zijn enthousiasme uit hem, zodat ze eigenlijk naar zichzelf luisterde. Ze had te veel, een hoge dosis, maar of hij weinig had, dat wist ze niet. Misschien wel meer, maar uiten deed hij niet. Hij sloeg het in de grond en nagelde het vast, zichzelf erbij. 

Ze vroeg zich af wanneer het begonnen was. Hij kon zo niet geboren zijn. Een kind kon zo niet zijn. Een kind moest krijsen, springen, gillen. Tot het een keer ophield. Hij tenminste wel. Ze had hem nooit anders gekend. Ze kende van hem geen enthousiasme, trots of ongeremde vrolijkheid. Ook geen ongeremde boosheid overigens. Ongeremd verdriet evenmin. Ze kende hem alleen geremd. Ze herinnerde hem niet.

Het was of hij gevallen was en blijven liggen. Niemand had hem opgeraapt. Hij deed of het hem beviel, daar op de stenen grond, koud en klam, maar stijf. Hij overtuigde mensen. Zij snapte de mensen niet. Ze snapte hem ook niet. Bescherming, zou een ander haar vertellen. Bescherming was het, niets dan dat. Het leek haar maar saai. Saai en nep. Zo voorzichtig nep. Zo kon een mens niet zijn, niet echt. Niet altijd nu tot nooit.

Ze wachtte op de uitbarsting, sneed zichzelf en hield verborgen. 

zaterdag 25 mei 2013

Tonio

Ik voelde me een indringer. Ik voelde me een dief in het huis van wildvreemde mensen. Ik kon al hun persoonlijke bezittingen aanraken en desgewenst meenemen. Het was of ik buiten hun medeweten hun leven leerde kennen, terwijl zij me dat nadrukkelijk gevraagd hadden. Voor mijn ogen voltrok zich hun geschiedenis. Hun foto's aan de wand, de geur van de kleding in hun kasten en de aanblik van hun voedsel in de koelkast. Hier mocht ik niet zijn. Zachtjes, op mijn tenen, sloop ik door de vertrekken. Ik hoorde mijn hart bonken. Het wilde eruit. Uit mijn lijf en uit dit huis. Het waarschuwde me. Als ik geluid maakte, zou ik de wetten van privacy overtreden. Alles moest ik bekijken, ruiken, proeven. Ik moest horen wat de omgeving me te zeggen had. Ik moest luisteren met mijn ogen wijd open. Ik moest het voelen tot ik bijna stikte. Ik was een indringer. Desondanks voelde ik de noodzaak van mijn aanwezigheid. De absolute noodzaak van dit bezoek.

Het zou bruut zijn te vertrekken en de deur achter me te sluiten. Ik zou te veel met me meenemen. Ik zou een leven stelen, terwijl dat al weggenomen was. De uitnodiging had een dwingend karakter gehad. Nu ik er was, en zelfs daarvoor, kon ik dat niet negeren. Uit elke deur die open stond, uit elk raam dat geopend was en uit elke kier van het huis die ook maar het kleinste beetje doorgang naar buiten verschafte, kwam een noodkreet. De lucht in het huis schreeuwde. Het kon niet weg, het kon nergens heen. Ontsnappen noch vluchten. Het enige dat het kon doen, was delen. Binnenlaten en delen, zodat er zuurstof kwam om te overleven. Frisse lucht van buiten werd mee naar binnen genomen door de gasten die indringers waren. Ze hadden hier niets te zoeken, net als ik, maar ze hadden de stem gehoord. De stem die boven het persoonlijk verdriet uit stak. 

...

Bekijk hier de uitzending van Collegetour met A.F.Th. van der Heijden.