Gister, om de dag door te komen,
had ze zin in vandaag, met verwachtingen
en hoop en levenslust vol vragen
maar vandaag
weet ze niet waarop ze wacht
het is niet dat er iets veranderd is
door de slapeloze nacht
de ene dag werd slechts de ander
Er is wederom niets
gebeurd, niets wat zij bedacht.
Enthousiasme kwam haar plagen.
De leegte lacht.
Tot morgen,
tot weer een dag.
maandag 30 december 2013
dinsdag 3 december 2013
Denkend aan
Er zit een foto in mijn fotoalbum waar ik als klein kind op de arm van mijn moeder zit. We lachen allebei naar de camera, allesbehalve een bescheiden lach. Een gezonde blos en rode lippen bij beiden. Mijn moeder heel naturel -ik kan geen beter woord verzinnen- en ik ook. Jong nog, zo jong.
Mijn moeder heeft mij wel eens verteld dat ik als klein kind, wanneer zij emotioneel was, tegen haar zei: "Het lijkt wel of jouw tranen uit mijn ogen komen, mama." Ik weet niet waarom ik daarbij juist de lachende foto op mijn netvlies heb staan - al is dat eigenlijk logisch. Het verschil tussen een lach en een traan is zo groot niet. We fotograferen alleen de lach.
Deze week maakte ik iemand anders aan het huilen, door zelf emotioneel te zijn. Nu is dat geen vreemd fenomeen als je dichtbij iemand staat, maar het gekke was dat ik deze persoon nauwelijks kende. En zij mij niet. We waren min of meer 'toevallig' op dezelfde plek en hadden slechts beleefdheden met elkaar gewisseld. Het voelde fijn te weten -te zien- dat zij mij voelde, dat zij dat kon. Mijn tranen mochten ook door háár ogen naar buiten komen. Ze hielp mij uiten. Ze gaf mij lucht, ze nam voor heel even iets van me over.
Mamma
...
Mijn moeder heeft mij wel eens verteld dat ik als klein kind, wanneer zij emotioneel was, tegen haar zei: "Het lijkt wel of jouw tranen uit mijn ogen komen, mama." Ik weet niet waarom ik daarbij juist de lachende foto op mijn netvlies heb staan - al is dat eigenlijk logisch. Het verschil tussen een lach en een traan is zo groot niet. We fotograferen alleen de lach.
Deze week maakte ik iemand anders aan het huilen, door zelf emotioneel te zijn. Nu is dat geen vreemd fenomeen als je dichtbij iemand staat, maar het gekke was dat ik deze persoon nauwelijks kende. En zij mij niet. We waren min of meer 'toevallig' op dezelfde plek en hadden slechts beleefdheden met elkaar gewisseld. Het voelde fijn te weten -te zien- dat zij mij voelde, dat zij dat kon. Mijn tranen mochten ook door háár ogen naar buiten komen. Ze hielp mij uiten. Ze gaf mij lucht, ze nam voor heel even iets van me over.
Mamma
...
woensdag 27 november 2013
Wat de dag mij talig zeggen wou
Zijn vinger gleed tergend langzaam over de bladzijde. Hij las de woorden hardop hakkelend. Hij las voor. Hij sprak als een kind dat leerde lezen. Als hij een fout bemerkte omdat hij later in de zin hoorde dat het niet kon kloppen wat hij had gezegd, begon hij weer vooraan. Zweetdruppeltjes parelden op zijn voorhoofd. Zijn ogen waren gefocust op de letters die voor zijn ogen dansten en je kon zijn hoofdpijn voelen door alleen naar hem te kijken. Na een paar zinnen stopte hij. Hij keek me machteloos aan. Ik vroeg hem in zijn eigen woorden na te vertellen wat hij zojuist gelezen had. Hij kon het niet. Hij had al zijn energie nodig voor de techniek van het lezen. Hij kon niet lezen en begrijpen tegelijk. Hoe wreed was ik dit van hem te vragen? Hij keek naar me op als een prooi naar zijn jager voor de genadeklap die maar niet kwam. Ik vroeg hem hoe hij het voor elkaar had gekregen het héle boek te lezen. Ik wist dat hij het gedaan had. Er was toezicht op hem gehouden. Hij wist het niet. Zijn antwoord was praktisch van aard. Elke dag drie kwartier lezen, vijf weken lang. Dat was de tijd die hij ervoor nodig had gehad het flinterdunne boekje uit te lezen. Ik knikte slechts. Hij vertelde verder. Als iemand hem voorlas, kon hij het wel begrijpen, maar als hij zelf las zag hij alleen maar tekens en hoorde hij alleen maar klanken. Klanken zonder taal. Zonder betekenis. In zijn hoofd duizelde het. Hij vertelde me hoe mensen dachten dat hij dom was -het gaf mij hoop dat hij het zo zei: de mensen dachten dat hij dom was-. Hij zei het met een zekere nonchalance. Je zag hoe hij het gewend was. Hij had het gevecht gestaakt, omdat hij zelf wel beter wist. Hij vertelde hoe hij was gestopt met proberen. Hij vertelde hoe hij besloten had niets te doen. Met niets doen kon je tenminste geen fouten maken. Hij was met de grond gelijk gemaakt. Hij was uitgelachen. Hij was zielig gevonden. Lager kon hij niet vallen. Hij richtte zich op andere zaken. Zaken waardoor hij wel eigenwaarde en controle ervoer. Zaken waardoor anderen tegen hem opkeken, maar die het daglicht niet konden verdragen. Hij zocht vrienden die hem zagen staan. Hij toonde lef. De deskundigen, de professionals, ze zeiden dat hij hard aangepakt moest worden. De wanhoop in zijn ogen. Het was geen onwil. Er was nog nooit naar hem geluisterd. Ik zei tegen hem dat ik wel snapte dat hij niets deed. Hij knikte slechts naar me. Hij had me begrepen. Hij was nog zo klein. De hoofdpijn barstte uit zijn voegen. Ik moest naar buiten, net als hij. Ik hapte naar adem.
Het opschrijven van taal is het meest idiote wat er maar bestaat. Vooral dat we dan van anderen verwachten dat ze lezen wat er staat. Madness. Wie zijn wij dat wij denken dat dat kan?
Op mijn weg naar huis, kwam ik een schreeuwende man tegen. Hij schreeuwde door de straten, op zijn fiets. Hij stopte voor het verkeerslicht, schreeuwend. In een dorp zou hij de dorpsgek zijn, in een stad één van de velen. "En taal kun je ook niet begrijpen! Niet te begrijpen! Niet te begrijpen wat mensen zeggen! Niets! Net als zwart en wit! En goed en kwaad! Dat kun je niet bevatten!" Mensen keken voorzichtig om. Wie was deze gek? Waar was hij ontsnapt? "Je kunt het niet bevatten, bevatten, bevatten!" Het speeksel spatte uit zijn mond met de vurigheid waarmee de woorden de straat op knalden, de stad in, de oren van de mensen in. "Je kunt het niet verwerken, geestelijk! Je kunt het geestelijk niet verwerken!" Het woord 'geestelijk' had ik nog nooit zo duidelijk gearticuleerd gehoord. Hij bleef hetzelfde riedeltje herhalen. Ik stak het zebrapad over en ik snapte dat de herhaling nodig was, net zoals de strepen van het zebrapad herhaald moesten worden tot ze de overkant bereikten. Tientallen, honderden meters verder, hoorde ik de man nog schreeuwen. Keihard. Het echode tussen de gebouwen. De muren weerkaatsten de taal.
Gesproken taal moet ook voorzichtig, want anders zijn we idioot. (Om niet te zeggen: compleet gestoord.) Gehoord worden we toch niet.
Wie zijn wij dat wij denken dat we luisteren?
...
Wie zijn wij dat wij denken dat we luisteren?
...
donderdag 21 november 2013
Jongen
Ik zag je wel
zitten in je jas
-duister weggedoken-
en in je gezicht
Ik zag je ogen wel
staand liggen gapen
in tegenspraak met
alles wat je zei
Je woorden verlieten jou
met een heftigheid from hell
maar je ogen keken niet
naar waar ze gingen
naar waar ze kwamen
spuwend neer
woordenwolkend weg
Alles wat je sprak
was mono, loog en ik
Ik zag je wel
zitten in je lichaam
dat je verdoofde
zonder naam
Ik zag je wel
bewegen en praten
en doen en doelloos
onhandig zijn
ruige rookwolken
vol van inhoud
maar te leeg
om te verstaan
Jongen jeugdig van gemoed
het ga je goed
het ga je goed
zitten in je jas
-duister weggedoken-
en in je gezicht
Ik zag je ogen wel
staand liggen gapen
in tegenspraak met
alles wat je zei
Je woorden verlieten jou
met een heftigheid from hell
maar je ogen keken niet
naar waar ze gingen
naar waar ze kwamen
spuwend neer
woordenwolkend weg
Alles wat je sprak
was mono, loog en ik
Ik zag je wel
zitten in je lichaam
dat je verdoofde
zonder naam
Ik zag je wel
bewegen en praten
en doen en doelloos
onhandig zijn
ruige rookwolken
vol van inhoud
maar te leeg
om te verstaan
Jongen jeugdig van gemoed
het ga je goed
het ga je goed
zaterdag 16 november 2013
Aaneen geschoven stoelpoten
De bosvruchten
vrezen het vlees
van draadjes aan elkaar
gedrapeerd over de tafel
Toegedekt
met zilvermeeuwen
gepoetst grijs dat glinsterend
onze ogen bedacht
te laten fonkelen
in het kaarslicht
Vrijvliegers zijn we
kijk ons dan:
keurig krankzinnig
aaneen geschoven
stoelpoten
we schoppen elkaar
niet onderuit
maar onderhuids
Opzwellende zenuwen
tussen de waterige wijn
als winegums
in een nachtje water
puur als biologisch experiment
want de smaak
is er nu wel af
gevolgen schetsend
schertsend vruchtvlees
dat zit op wankele poten
En nog een fijne kerst.
vrezen het vlees
van draadjes aan elkaar
gedrapeerd over de tafel
Toegedekt
met zilvermeeuwen
gepoetst grijs dat glinsterend
onze ogen bedacht
te laten fonkelen
in het kaarslicht
Vrijvliegers zijn we
kijk ons dan:
keurig krankzinnig
aaneen geschoven
stoelpoten
we schoppen elkaar
niet onderuit
maar onderhuids
Opzwellende zenuwen
tussen de waterige wijn
als winegums
in een nachtje water
puur als biologisch experiment
want de smaak
is er nu wel af
gevolgen schetsend
schertsend vruchtvlees
dat zit op wankele poten
En nog een fijne kerst.
woensdag 13 november 2013
Vervoer me
Ik zwier
ik zwelg
ik zwem
Gewetenloos
en opgelost
Ik wacht
ik smelt
ik smacht
Zwachtelend
op mijn voeten
Zo zit ik vast
en ben ik los
Ik lach
ik lef
ik loer
De dag ging anders
dan ik dacht
ik doe
ik dans
ik dwaze hoer
ik zwelg
ik zwem
Gewetenloos
en opgelost
Ik wacht
ik smelt
ik smacht
Zwachtelend
op mijn voeten
Zo zit ik vast
en ben ik los
Ik lach
ik lef
ik loer
De dag ging anders
dan ik dacht
ik doe
ik dans
ik dwaze hoer
woensdag 30 oktober 2013
Volg maar
Ze wiegde zichzelf in het kommetje van haar armen. Haar ellebogen op de tafel, haar hoofd voorover erin, de armen strak langs het gezicht, de handen ineen, eindigend ergens op haar achterhoofd. Het hielp. Het hielp als ze haar armen strakker om haar hoofd trok, afgesloten en één met zichzelf. Ze moest het even voelen en wiegde heen en weer. Terwijl ze dat deed, zag ze zichzelf zitten. Bij ieder ander zou ze zich zorgen gemaakt hebben om de aanblik, maar ze wist dat ze veilig was in haar eigen armen. Ze liet het rustig gebeuren en hoopte dat het nog niet zou stoppen. Ze volgde de stroom in haar hoofd, die voerde tot aan haar hart. De stroom aan woorden en gedachten en gevoelens. De draaikolk. De waterval. De kleine watervalletjes die vanaf de hoogste bergtoppen met de kracht van de natuur naar beneden raasden en dan weer sijpelden. De toppen die de overvloed kwijt moesten en de rust daar onderaan. De beelden drongen zich aan haar op. Ze hield haar hoofdpijn vast en plukte aan haar haar. Haar vingertoppen voelden koud aan en ze stopte ze in haar handen, haar vuisten zo dicht mogelijk op de hoofdhuid. De wereld moest nog even wachten, zwijgen nog. Later, later was het goed. Ze suste zichzelf. Ze zou volgen.
...
...
zondag 27 oktober 2013
Apathie
Vandaag is apathisch
de hele dag is woest wanstaltig
en ik ben afgehakt
van verdriet en
van mijn lichaam
als een blaadje
van een boom
-het is tenslotte herfst-
alleen zweef ik niet
en kleur ik niet
pas ik niet in de tijd
alle jaren ten spijt
blaadjes hakken niet
maar laten los
-vanzelf-
tot aan de picknick
in het bos
Een mens -mij bovendien-
een glimp te laten zien
van wat had kunnen zijn
is wreed en ruw en
niets dan: pijn
als de bast van de stam
waar je me tegen duwde
met je wangen
van verlangen
eeuwenoude ringen
in je baard
schurend in mijn hals
voor de genadeklap
ik stik ik stik ik stik
Nooit kan ik meer
-vanzelf-
vergeten wat ik zag
omdat jij zo nodig
dacht met slag
en stoot
ik ik ik
de hele dag is woest wanstaltig
en ik ben afgehakt
van verdriet en
van mijn lichaam
als een blaadje
van een boom
-het is tenslotte herfst-
alleen zweef ik niet
en kleur ik niet
pas ik niet in de tijd
alle jaren ten spijt
blaadjes hakken niet
maar laten los
-vanzelf-
tot aan de picknick
in het bos
Een mens -mij bovendien-
een glimp te laten zien
van wat had kunnen zijn
is wreed en ruw en
niets dan: pijn
als de bast van de stam
waar je me tegen duwde
met je wangen
van verlangen
eeuwenoude ringen
in je baard
schurend in mijn hals
voor de genadeklap
ik stik ik stik ik stik
Nooit kan ik meer
-vanzelf-
vergeten wat ik zag
omdat jij zo nodig
dacht met slag
en stoot
ik ik ik
De idylle
Ik woonde op een boot in de stad, in de helft van het ruim van het schip. De andere helft was voor een andere huurder. Hij had een kameleon waar ik op paste als hij weg was. Het beest kreeg spinnen en insecten te eten. Met een plantenspuit moest je de bladeren in zijn kooi bevochtigen zodat hij kon drinken. Een felle lamp stond gericht op zijn leefomgeving. De huurder had een darmziekte, de doosjes lucifer op het toilet hielpen daar niet tegen. Aan andere geurmiddelen had de alternatieveling geen boodschap. De kameleon stak vervaarlijk sissend zijn tong naar me uit. Hij werd nog net niet zwart. Eén keer dronk ik thee op de kussens in het hol van deze medehuurder, daarna hield ik het contact buiten het hoogst noodzakelijke voor gezien, hoewel hij me op alle mogelijke social media probeerde te volgen.
De eigenaresse van de boot, een oudere vrouw gekleed in kleurrijke wollen gewaden, woonde boven, in het daglicht en met het uitzicht dat je van een boot mag verwachten. Ze was een hippieprovo en ze leefde niet in deze tijd. Eerst dacht ik dat ze vaak bezoek of telefoon had, maar later kwam ik erachter dat ze continu in zichzelf praatte als er geen ander in de buurt was. Dit deed ze zowel binnen als buiten. Op het stukje gras aan de kade hield ze twee agressieve geiten die uitbraken zodra ze de kans kregen. Midden in de nacht moesten we ons bed uit om de beesten te vangen. Ik gaf ze te eten als de vrouw weg was. Emmers vol groenafval. Uit mijn raampjes keek ik net boven het wateroppervlak uit. De geiten staarden altijd brutaal bij me naar binnen. Soms hing ik demonstratief een handdoek voor het raam waar ze stonden. Ik hield geen daglicht over. Planten gingen dood. Net als ik. Twee maanden per jaar was de vrouw weg. Het was voor ons altijd een raadsel waar ze verbleef, maar we maakten schema's om de geiten in leven te houden.
Als het waaide, schudde de boot zo hard heen en weer aan de kettingen, dat slapen -zelfs met de beste oordoppen in- onmogelijk gemaakt werd. De regen kletterde op het dek. Ik droomde vaak dat ik wakker werd en me heel ergens anders bevond dan waar de boot gelegen had. Zelfs mijn huis had geen vaste standplaats. In mijn onrustige, korte dromen ging ik heel wat plaatsen en landschappen af achter de raampjes. Tegen de ochtend ging ik met wallen onder mijn ogen naar mijn werk om op te warmen. De verwarming werkte niet, in mijn ruim. Als ik daarover klaagde bij de eigenaresse, vond ze me verwend. Had ik nooit geleerd dat je ook een extra trui aan kon trekken? De kou zat echter al in mijn botten en daar kon geen kledingstuk tegenop. Zelf had de vrouw een houtkachel, boven. Hout hakte ze zelf, naast de geiten. Vervolgens moesten wij -de huurders- haar helpen de houtblokken naar binnen sjouwen omdat ze last van haar rug en haar gewrichten had. De rook zag je al van veraf gemoedelijk de schoorsteen van de scheef liggende boot uit komen.
Als ik 's avonds -zo laat mogelijk- thuiskwam, zag ik de ratten wegschieten aan de kade. Rillend van afschuw klauterde ik naar binnen. De grootste spinnen stofzuigde ik weg voor ik me op de bank in een deken wikkelde en mijn ontsnappingskansen overdacht. Geld en moedeloosheid waren een probleem. Zowel blijven als verhuizen was geen optie. Steevast fietste ik dus elke morgen twaalf kilometer naar mijn werk. Het voortduwen van de trappers werd mijn redding. In elke trap stopte ik mijn woede, mijn frustratie en verdriet. Elke dag fietste ik harder en harder. Een vrije dag was een kwelling, want ik voelde me nauwlettend in de gaten gehouden door de vrouw.
'Mijn helft' van het schip lag het minst diep in het water. De boot was uit balans, aldus de vrouw. In plaats van de andere huurder te sommeren zijn verzameling troep op te ruimen, plantte ze 'mijn' trap naar boven vol met bakstenen. Ik kreeg het verwijt dat ik te weinig spullen had, ik bracht te weinig gewicht mee. Kon ik het helpen dat ik zo verwend was met al mijn spullen. De manier waarop ze het zei, deed mij echter vermoeden dat het weinige gewicht dat ik inbracht, zowel letterlijk als figuurlijk bedoeld werd. Inwendig telde ik wel duizendmaal tot tien om te kalmeren.
De vrouw haalde producten op die bij de plaatselijke supermarkten afgekeurd waren vanwege de houdbaarheidsdatum of een rotte plek of scheurtje in de verpakking. Deze deelde ze rond in de buurt. Tonnen voedsel werd zomaar weggegooid, prima voedsel, betoogde ze. Dat was één van de weinige dingen waar ze gelijk in had en dankbaar nam ik het voedsel mee naar binnen dat ze voor mijn deur legde. Zo kon ik mijn huur betalen én eten. Ik stond ervoor in een winkel en luisterde naar de problemen van de welgestelde klanten. Daarnaast hielp ik in de huishouding bij oudere mensen. Het waren de enige plekken waar ik dankbaarheid ontving, de enige plaatsen waar ik me nuttig voelde bovendien, en waar ik het warm had.
De eigenaresse van de boot, een oudere vrouw gekleed in kleurrijke wollen gewaden, woonde boven, in het daglicht en met het uitzicht dat je van een boot mag verwachten. Ze was een hippieprovo en ze leefde niet in deze tijd. Eerst dacht ik dat ze vaak bezoek of telefoon had, maar later kwam ik erachter dat ze continu in zichzelf praatte als er geen ander in de buurt was. Dit deed ze zowel binnen als buiten. Op het stukje gras aan de kade hield ze twee agressieve geiten die uitbraken zodra ze de kans kregen. Midden in de nacht moesten we ons bed uit om de beesten te vangen. Ik gaf ze te eten als de vrouw weg was. Emmers vol groenafval. Uit mijn raampjes keek ik net boven het wateroppervlak uit. De geiten staarden altijd brutaal bij me naar binnen. Soms hing ik demonstratief een handdoek voor het raam waar ze stonden. Ik hield geen daglicht over. Planten gingen dood. Net als ik. Twee maanden per jaar was de vrouw weg. Het was voor ons altijd een raadsel waar ze verbleef, maar we maakten schema's om de geiten in leven te houden.
Als het waaide, schudde de boot zo hard heen en weer aan de kettingen, dat slapen -zelfs met de beste oordoppen in- onmogelijk gemaakt werd. De regen kletterde op het dek. Ik droomde vaak dat ik wakker werd en me heel ergens anders bevond dan waar de boot gelegen had. Zelfs mijn huis had geen vaste standplaats. In mijn onrustige, korte dromen ging ik heel wat plaatsen en landschappen af achter de raampjes. Tegen de ochtend ging ik met wallen onder mijn ogen naar mijn werk om op te warmen. De verwarming werkte niet, in mijn ruim. Als ik daarover klaagde bij de eigenaresse, vond ze me verwend. Had ik nooit geleerd dat je ook een extra trui aan kon trekken? De kou zat echter al in mijn botten en daar kon geen kledingstuk tegenop. Zelf had de vrouw een houtkachel, boven. Hout hakte ze zelf, naast de geiten. Vervolgens moesten wij -de huurders- haar helpen de houtblokken naar binnen sjouwen omdat ze last van haar rug en haar gewrichten had. De rook zag je al van veraf gemoedelijk de schoorsteen van de scheef liggende boot uit komen.
Als ik 's avonds -zo laat mogelijk- thuiskwam, zag ik de ratten wegschieten aan de kade. Rillend van afschuw klauterde ik naar binnen. De grootste spinnen stofzuigde ik weg voor ik me op de bank in een deken wikkelde en mijn ontsnappingskansen overdacht. Geld en moedeloosheid waren een probleem. Zowel blijven als verhuizen was geen optie. Steevast fietste ik dus elke morgen twaalf kilometer naar mijn werk. Het voortduwen van de trappers werd mijn redding. In elke trap stopte ik mijn woede, mijn frustratie en verdriet. Elke dag fietste ik harder en harder. Een vrije dag was een kwelling, want ik voelde me nauwlettend in de gaten gehouden door de vrouw.
'Mijn helft' van het schip lag het minst diep in het water. De boot was uit balans, aldus de vrouw. In plaats van de andere huurder te sommeren zijn verzameling troep op te ruimen, plantte ze 'mijn' trap naar boven vol met bakstenen. Ik kreeg het verwijt dat ik te weinig spullen had, ik bracht te weinig gewicht mee. Kon ik het helpen dat ik zo verwend was met al mijn spullen. De manier waarop ze het zei, deed mij echter vermoeden dat het weinige gewicht dat ik inbracht, zowel letterlijk als figuurlijk bedoeld werd. Inwendig telde ik wel duizendmaal tot tien om te kalmeren.
De vrouw haalde producten op die bij de plaatselijke supermarkten afgekeurd waren vanwege de houdbaarheidsdatum of een rotte plek of scheurtje in de verpakking. Deze deelde ze rond in de buurt. Tonnen voedsel werd zomaar weggegooid, prima voedsel, betoogde ze. Dat was één van de weinige dingen waar ze gelijk in had en dankbaar nam ik het voedsel mee naar binnen dat ze voor mijn deur legde. Zo kon ik mijn huur betalen én eten. Ik stond ervoor in een winkel en luisterde naar de problemen van de welgestelde klanten. Daarnaast hielp ik in de huishouding bij oudere mensen. Het waren de enige plekken waar ik dankbaarheid ontving, de enige plaatsen waar ik me nuttig voelde bovendien, en waar ik het warm had.
Abonneren op:
Reacties (Atom)