donderdag 18 november 2010

Wind of change



"Kom je dan naar mij?”
- "Ja”

"Maar is dat dan niet raar?”
- "Ja”
"Oke, tot zo.”
- "Tot zo.”


Ze maakte een tussenstop bij de supermarkt en ze fietste er blind naartoe. De straat. De blauwe deur. Ze belde aan. De deur ging nog precies zo open als altijd, ze voelde het, ze kon het dromen, en het klopte. Ze stapte over de drempel, net zo daadkrachtig als ze ooit de andere kant uit was gestapt. Stil nam ze alles in zich op. Ze ademde diep in om zich te vermannen, maar het vervelende gevoel waarvan ze bang was dat het haar zou overvallen, eenmaal daar, bleef uit. Integendeel, een rust overviel haar.

Binnen was het anders, de inrichting, de spullen. Háár deel miste en hij had het grondig gereorganiseerd, alsof zij er nooit was geweest. Dat was mislukt, gaf hij toe. Het ging niet. Hún herinneringen bleven er leven. Bovendien zag ze nog kleine spulletjes van zichzelf terug. Spulletjes die ze over het hoofd had gezien toen ze ooit zo snel mogelijk driftig haar spullen bijeen had geraapt terwijl de tranen haar over de wangen stroomden. Spulletjes die hij had laten staan, al die tijd. Ze zag ook andere spulletjes, waar zij niets mee te maken had. Ze slikte even, maar ze besloot er geen aandacht aan te besteden.

Ondanks de hulp die ze had gekregen, had ze destijds de zwaarste spullen zélf naar het busje gesjouwd, om al haar kracht en energie daarin te steken en niet te hoeven nadenken, niet te kunnen voelen. Daarna had ze zichzelf volgepropt in de snackbar om de hoek, overdreven kauwend om de tranen tegen te houden. In het volgeladen busje, onderweg, had ze haar gezicht verstopt in de zachte vacht van het konijntje, dat ze ook tussen de spullen vandaan had geplukt en meegenomen. Haar konijntje. Van hem gekregen. Op een middag had hij tegen haar gezegd haar handen op te houden en haar ogen dicht te doen. Verrassing! Toen ze haar ogen opende, zat er een pluizig minikonijntje op haar hand. Het liefste gebaar ooit. Niet lang daarna was het voorbij, hun leven samen in het huis. Maar het konijntje was altijd overal mee naartoe gegaan. Het bood haar troost. Alsof hij het wist, van tevoren, toen hij het haar cadeau had gedaan.

En nu stond ze hier weer. Ze zette de tas met boodschappen op tafel en lachte naar hem. “Ik heb boodschappen gedaan.” Hij lachte terug. “Wat eten we?”

Later die avond fietste ze terug naar haar huis waar het konijntje haar zou begroeten. Ze had wind mee, maar ze durfde zich er nog niet te hard door te laten meevoeren. Hij kon ieder moment weer draaien.

...

Geen opmerkingen:

Een reactie plaatsen