maandag 16 mei 2011

Examens

“Dénk je dat of zei de arts dat?” Ontwijken had geen zin meer. Hij had haar meegetrokken en gebaard dat ze moest gaan zitten nadat ze bijna tegen elkaar waren opgebotst in de gang. Het laatste uur was voorbij en de kantine was op hen na leeg. De tafel was nog nat van het vaatdoekje vol bacteriën, net afgenomen. Ze raakte het witte tafelblad niet aan. Bleef op een afstandje zitten op haar stoel. Op het schoolplein zag ze de laatste groepjes leerlingen vertrekken. Samenzweerderig boog hij zich naar haar toe om haar reactie te peilen. “Dat zei de arts,” beet ze hem toe. Wat was dat nou weer voor vraag? Alsof ze zoiets zou verzinnen.
Tegelijkertijd paste het bij hem. Het checkgedrag. Ze had het gevoel dat ze serieus genomen werd. Hem kon je niets wijsmaken. “Hè, meisje meisje,” klonk het. Maar zijn blik was zakelijk, net als wanneer hij een proefwerk nakeek en even in gedachten verzonken was over het juiste antwoord. Zij vocht tegen haar tranen. Niet dat “meisje”. Niet wéér, niet hier, dacht ze, en ze staarde knipperend omhoog. Ze wilde weg. De stilte tussen hen werd bijna onverdraaglijk. Toen nam hij weer het woord: “En hoe moet dat nu verder? Het is wel je eindexamenjaar.” Ze zuchtte. “Ik ga het wel halen.” Hij keek haar daarop strak aan, alsof ze zich zou bedenken, alsof ze nu zou breken. Maar ze brak niet. ‘Waarom zou ik het niet halen?’ leken haar ogen te zeggen. Gevoelloos. Ze kon zich niet druk maken om haar schoolprestaties. Hij schoof zijn stoel achteruit en stond op. Ze volgde zijn voorbeeld. Hij legde een hand op haar schouder. “Doe het rustig aan. Je krijgt alle tijd die je nodig hebt.” Ze knikte en draaide zich om, voelde de hand nog lang op haar schouder drukken. Hij keek haar na, tot ze de hoek om verdween.
Ze was al gebroken.

Geen opmerkingen:

Een reactie plaatsen