donderdag 19 september 2013

Onder ons

Blijf je bij me als het weer het toestaat en weer toeslaat als een klok aan de wand?
Blijf je bij me tot aan de groene muren, bodemloze bergen met een zachte zorgenziel?
Blijf je me vertellen wat je ziet en zeg je het met woorden die ik hoor?
Blijf je tot aan de wanden van ons bestaan, met mos begroeid en gras van raam?
Blijf je bij me tot het plafond doorbreekt, waar de regen nooit genas?
Blijf je me vertellen hoe het uitzicht voelt en zeg je het als ik het zie?
Blijf je bij me tot het licht de golven raakt, het grijs grijnst als glas?
Blijf je tot de schuimkoppen dreigen en overspoelen, smakeloos gesmak?
Blijf je tot het vuil het land verpest en blijf je wijzen waar het lag?
Blijf je tot de aarde geen voetstappen meer kent, als onbestemd herinneringshelal?
Blijf je bij me tot de hemel hoog is, en weggespoeld als dwaze wens van as?
Blijf je weten wie ik was?

Blijf je dan nog even bij me, wachten tot het over is wat ik bedoel?
Blijf je dan nog even samen rennen omdat dat is wat we doen en deden, mouw aan mouw?

Het blijft ons onderonsje,
op een bankje in de zonnekou.

...


maandag 9 september 2013

Gelaagde geste

Het was een geste van vriendelijkheid, ik kan hier onmogelijk zeggen: gebaar. ‘Geste’ is een woord dat beter de lading dekt. Wie het verschil met mij ziet, begrijpt wat ik bedoel. Gebaar is hard en koud en koel, hoe vriendelijk ook bedoeld, maar een geste is van de grootste warmte denkbaar, als deze vriendelijk is –en dat is hij altijd. Het woord dreunt al een paar dagen door mijn hoofd: geste. Ik weet niet hoe het erin kwam en ik kan me niet herinneren wanneer ik ooit voor het eerst van het bestaan van dit woord afwist. Ik lieg, maar ik wil het niet delen (ik lijk misschien open, maar dat ben ik niet). Ik weet wel dat ik er onmiddellijk van hield. Met sommige woorden heb ik dat. Nu was het een associatie toen iemand tegen me sprak. Ik krijg soms de vreemdste associaties wanneer mensen tegen me praten. Een blik, een houding, een onhandigheid of een bedoeling. Een pluk haar voor een gezicht of een loensend oog, een scheve tand of een kloddertje speeksel in een mondhoek. Het is moeilijk te luisteren naar wat mensen zeggen, omdat er zoveel is dat kan afleiden. Al deze afleidingen zijn te associëren met woorden.

Ik droom in woorden. Ik zie wel beelden als ik droom, zoals we allemaal doen veronderstel ik –nooit heb ik een ander er expliciet naar gevraagd- , maar als een droom belangrijk is, dan gaat hij altijd gepaard met een woord. Ik zie dan in mijn droom letterlijk een woord, dit kan gedrukt staan of geschreven, knipperend of gewoon aan de rand van het droombeeld constant aanwezig zijn. Wanneer ik ontwaak vervagen de beelden –langzaam maar zeker altijd-, maar zo’n woord kan nog dagen of weken door mijn hoofd spoken, in de exacte vorm van het beeld waarin ik het geschreven zag staan in mijn droom. Ik weet zeker dat zo’n woord me iets wil vertellen en dat ik er wat mee moet. Woorden schreeuwen altijd naar me in mijn droom. Ze vragen de aandacht. Ik zou zo een lijstje kunnen geven van woorden die ik gedroomd heb, maar zo ver wil ik niet gaan.

Geste heb ik niet gedroomd, al zou je dat nu misschien verwachten. Geste kwam op klaarlichte dag tot me. Het dwarrelde zomaar vanuit de lucht mijn geest in, terwijl er iemand tegen me sprak. Geste van vriendelijkheid. Er sprak niet echt iemand tegen me, maar het was de herinnering aan een gesprek. Het was niet voor het eerst dat ik dit woord ‘hoorde’, maar het had een lange reis afgelegd. Het lag ver verborgen in mijn woordenkabinet, omdat er lange tijd geen afleidingen waren geweest die de associatie van dit woord met zich meebrachten. Juist dat laatste maakte dat niet alleen de afleiding, maar zelfs het woord van een onnavolgbare vriendelijkheid werd. Een vriendelijk woord kan slechts vriendelijke zaken omschrijven en herinneringen zijn altijd vriendelijker dan de werkelijkheid waaraan ze herinneren. Herinneringen zijn net dromen. Bij herinneringen heb ik het ook: woorden.

Woorden die ik gedroomd of herinnerd heb, onthoud ik. Ik onthoud ze, tot ik ontdek waarom, en dan koester ik ze. 

...

zondag 8 september 2013

Verontschuldigend schuilen

“Ik hoor het aan je,” zei hij, “je praat veel harder dan vroeger. Niet zo voorzichtig meer, alsof je kan breken bij het horen van je eigen stemgeluid. Je klonk altijd verontschuldigend.”  Hij klonk niet beschuldigend. Zij moest lachen. “Het komt door de omgeving,” zei ze. “Die is zo hard dat ik wel moet. Ik moet schreeuwen om verstaanbaar te blijven. Je wil zeker zeggen dat ik fragiel was?” Ze riep haar woorden nu expres tegen de wind in. Hij lachte. Hij lachte om haar bescheidenheid die vals was, maar van de oprechtste soort. Ze speelde met haar eigenschappen, maar hij hoorde de omgeving niet. De omgeving was niet hard. Zij was het. Zij was zo duidelijk aanwezig dat alles om haar heen verstomde, hoewel de wind alleen haar omver kon blazen. Iets kleins kon genoeg zijn om haar van de wereld te blazen. Daar had hij ooit één glimp van opgevangen. Niets was er van haar over. Achter iets kleins ging altijd iets groots schuil. Sindsdien zag hij haar overal. En ze was hard, hard in al haar verschijningsvormen, behalve in het echt. Nu zag hij haar steeds vaker terug zoals hij haar kende. Hij hield van haar zoals zij zich aan haar omgeving aanpaste als water. Hij hield van haar ongrijpbare aard. Zijn handen waren leeg.

“Ik hoor aan jou dat je veranderd bent.” Hij zei het nog een keer, om haar te laten horen wat hij zei. “Verandering bestaat niet,” zei ze. “Dat is alsof er goed en kwaad bestaat en alsof je van het één naar het ander kan gaan. Of van jong naar oud. Tegenstellingen zijn de grootste onzin ooit bedacht en van een naam voorzien.” Ze bleven even stil staan, om zich van hun plaats te verzekeren. “Ik blijf altijd wie ik ben, ik kies alleen steeds een ander,” besloot ze. Hij duwde haar vooruit terwijl hij het zei: “Ik hoor je.” En nog een keer, zachter: “Ik hoor je.” Dat wist ze en daarom durfde ze. In haar hoofd repeteerde ze alles eerst voor hem. Hij was haar onzichtbare zeil in de wind. “Als je stopt met praten, gaat het in mijn hoofd nog door,” zei hij, “de woordenstroom gaat verder in mijn hoofd, tot hij wegebt omdat ik er te lang naar heb geluisterd en niet meer weet hoe het begon.” Ze verklaarde hem voor gek dat hij naar haar luisterde. Er was niets wezenlijks dat zij te melden had. Ze snapte wel waarom hij altijd zo laat reageerde. In zijn hoofd was het nog niet stil. Zijn hart was vol. Ze priemde met een vinger in zijn borst. “Ik prik een gaatje in je hart.” Ze kon hem vangen en bevrijden.

...

woensdag 17 juli 2013

De oceaan

Haar kamer was de oceaan. Haar bed het schip. De stoel een eiland, het kussen op de grond een haai. De muren, wit behangen, waren hoge golven. De planken aan de muur andere schepen, vijandig wel misschien. Ze mocht de grond niet raken, want dat zou de verdrinkingsdood betekenen. De haai lag op de loer.

De deur stond open en vanaf de drempel was ze veilig. Om buiten de kamer te raken, moest ze vanaf het voeteneind van haar bed een spagaatsprong maken. Ze kon het, maar het bleef spannend, steeds opnieuw. Haar hart klopte in haar keel. De overloop, die zich achter de drempel bevond, was veilig land voor even.

Vanuit het raam, direct achter het hoofdeinde van haar bed, had ze een vergezicht. Alleen maar blauw, alleen maar zee, oneindig lang, oneindig ver. Het raam hield ze dicht, de kamer was al groot genoeg, al was hij klein. Het raam openen was gevaarlijk bovendien, uit het raam kon je vallen. De vensterbank was van kunststof, wit. De planken aan de muur leken te bewegen, ze kwamen op haar af. Er zaten poppen op. Grote kraalogen keken haar aan. Midden op haar schip was ze zichtbaar en vogelvrij. Het dekbed over haar heen bood niet genoeg bescherming meer. Wapens had ze niet, dus ze moest verstoppen, verdwijnen, weg.

Als ze dichtbij het voeteneind aan de rechterkant op de rand van haar bed ging staan, kon ze de deur van de kledingkast aanraken. De kledingkast was wit, alweer. Er zaten schuifdeuren in. Rechts was het gedeelte met planken, en er lagen stapeltjes kleren. De linkerschuifdeur gaf toegang tot het hanggedeelte. Er hingen kleren, maar die raakten niet de grond, de bodem van de kast. Vanaf het bed kon ze met een grote stap onderin het linkerdeel van de kast belanden. De deur ging gemakkelijk open, te schuiven vanaf het bed. Dan moest ze alleen nog zorgen dat ze tussen het bed en de kast de grond niet raakte. Het lukte. Ze trotseerde het water.

Eenmaal in de kast ging ze zitten met haar rug tegen de achterwand van de kast. Haar benen trok ze op, tot haar knieën haar neus bijna raakten. Eén arm stak ze vooruit om van binnenuit de kastdeur weer dicht te schuiven. Dan werd het donker, kledingstukken om haar hoofd. Ze sloeg haar armen om haar knieën. Niemand kon haar hier vinden. Ze giechelde. Ze was iedereen te slim af geweest. Stil. Verstopt, verdwenen, weg.

woensdag 3 juli 2013

Een vers van was

Ik hou van de geur
van geluk?
zou hij vragen
Nee, jawel,
maar dat bedoel ik niet,
niet nu.
van verse was.
Kledingstukken
in kleuren
rozeblauw
tot zacht.

Kledingstukken,
lappen stof
en lakens,
die de lauwe
laaghangende lucht
in de ruimte -doorleefd-
in zich opnemen
om verse lucht
- vol levenslust -
uit te ademen
de kamer in.
En buiten is het anders.

De kamer krijgt nieuw leven.
De kamer niet alleen.
De wereld wordt herinnerd
aan al wat komen gaat.

Kledingstukken die gaan
gebeuren -nog onbekend-
Avontuur dat nodigt
uit. De bloemen
in het veld. Ik zie ze
wapperen, vanbinnen.
Ik hou van de geur,
van verse was.

En ook van geluk.

donderdag 27 juni 2013

Gek

-          Ik heb een paar jaar opgesloten gezeten.
Opgesloten?
-          Ja.
Hoe bedoel je? Je bent toch geen crimineel?
-          In een gekkenhuis.
Een gekkenhuis?
-          Ja.
Zo noem je dat toch niet?
-          Waarom niet?
Waarom zat je daar?
-          Omdat ik gek was.
Doe nou eens serieus. Wat was er?
-          Als jij me niet serieus neemt, doet niemand het. Ik was gek en daarom zat ik in een gekkenhuis. Zo noemen we dat gewoon.
We?
-          Nou ja, de mensen die daar zitten.
De gekken dus.
-          Ja.
En nu?
-          Wat?
Ben je nu nog gek?
-          Nee.
Wanneer is dat veranderd dan?
-          Toen ik daar weer weg ging.
Oh. Dus nu ben je normaal?
-          Ik ben beter.
Ga je nog wel eens naar de gekken?
-          Nee.
Waarom niet?
- Omdat ze gek zijn. 
Oh.

zondag 23 juni 2013

Geluk

Ze vroeg het al voor ze goed en wel in de auto zaten en onderweg waren. "Zullen we straks stoppen bij een tankstation?" Hij moest lachen terwijl hij de auto de straat uitreed. "Dat vind ik altijd zo'n leuk momentje!" Haar enthousiasme was niet gespeeld. Hij zette de radio aan en zette zijn zonnebril op. "Zeker omdat je weer wat te eten wilt hebben." Het was even stil terwijl hij een kruispunt overstak. "Ja, we stoppen straks wel een keertje. Eerst even een stukje rijden." Ze klapte een paar keer snel in haar handen. Bekend terrein gleed voorbij en algauw zaten ze op de snelweg. "Ik vind het nu al leuk," zei ze. Ze concentreerde zich op de horizon. Ze spraken over de kleuren van de auto's die ze tegenkwamen, het weer en het idee. Ze lachten om elkaars stemmen, de rotzooi in de auto en om niets. Ze kraakten de medepassagiers op de weg af, net als de muziek op de radio. Ze waren onderweg. Hij hield wat politieke beschouwingen. Zij was misselijk en hij zag de Eiffeltoren midden in Nederland. "Serieus, die heb ik hier nog nooit gezien. Stond die er altijd al?" "Geen idee, ik let nooit op."

Het was druk op de parkeerplaats bij het tankstation. Ze renden naar het winkeltje. Hij trok haar voor een auto vandaan. "Je moet zelf eens opletten, je stelt je zo afhankelijk op." "Ik vertrouw jou gewoon volledig!" riep ze. De zon scheen. Mensen picknickten bij hun auto's. Het gras was te hoog en er lag te veel afval naast de prullenbakken, maar er was geen gevaar. Ze betaalde vijftig cent voor het toilet en hij stond tegen de auto geleund te wachten toen ze hard stampend op de tegels van het trottoir terugkwam.

Toen ze hun weg vervolgden, rook hij aan zijn handen. "Dit is de geur van geluk." Ze keek vreemd terwijl ze diep inademde. "Benzine en Red Bull, dan ben je onderweg. Dat voelt altijd goed." Ze dacht nog dat ze deze uitspraak niet moest vergeten. "Dit soort momenten moet je onthouden," zei hij, "wanneer je gelukkig bent." Hij zei het meer tegen zichzelf dan tegen haar. "Ja," zei ze alleen maar.

Onderweg zijn voelde goed.

...




vrijdag 21 juni 2013

Ik dacht

Weet je wat ik dacht?
Ik dacht dat het zou duren
de dagen van de maan
die naar me lacht
en danst als zwevende
confetti, rijst en bellenblaas
of om het even
onder de aanblik
van het idee
dat het zo zou zijn
zo mooi,
zo goed,
zo fijn,
helaas


dinsdag 4 juni 2013

Zwieren

Ik zou je willen schrijven, zingen, schreeuwen
zachtjes door de zakelijke zomerlucht
de woorden die je me leerde
toen ik ze nog niet begreep

Ik zou de dingen grijpen uit de lucht
die er vol van hangt
Knijpen in mijn vuisten
en richten door de avond

Ik zou je willen gooien, grijpen, zwaaien
zwoegen door de tijd
de kogels die je me verschafte
toen ik ze koesterde
als mijn wapenschild

Ik zou je vangen in de lucht
tegenhouden en omarmen
Ik zou je lachen
neerkomend op de grond
gewond geworpen
is het dat ik zwaai
ik zwier