De eerste keer dat ze hem zag, was vanachter haar raam. Hij was nog te ver weg om haar te kunnen zien, en ze zag alleen zijn contouren, maar ze wist dat hij het was. Zijn bewegingen waren al van verre geruststellend. Gemakkelijk, gemoedelijk, vrij. Vanzelfsprekend ook, en routineus. Alsof hij er iedere dag was. Tegelijkertijd alsof hij de omgeving niet meer zag. Hij verrichtte zijn handelingen en ging op zijn doel af. Zij was zijn doel. Dat voelde ze, maar hij liet het niet merken. Hij wist het misschien niet eens. Nee, hij wist het niet. Bij hem gebeurden de dingen. Bij haar waren ze doordacht. Dat wist ze nog niet toen ze hem vanachter haar raam observeerde. Dat wist ze nu, jaren later. Het verschil was prettig, voor de balans, maar niet praktisch. Niet altijd. Ze zag hem naderen, maar bang was ze niet. Ze zag het al van ver. Hij had geen vooropgezet plan. Hij kwam gewoon voor haar. Toevallig, maar bewust. Hij wilde weten wie ze was. Wat ze deed, hoe ze lachte en waarom. Wat ze dacht, en hoe dat kwam. Wat haar dromen en haar passies waren, haar twijfels en haar angsten. Waar ze boos om werd en hoe ze sliep. Wat ze vertelde als hij luisterde. Wat ze zei als het stil was. Wat ze hoorde en wat ze zag. Samen keken ze. Ze keken net zo lang tot zij vroeg wat hij zag. Toen had hij haar gewonnen. Dat was het moment dat ze haar raam sloot. Hij had haar interesse. Hij, en hij alleen. Maar de dingen begonnen ook te gebeuren, zoals ze dat deden. Het gesloten raam belemmerde de onzichtbare dingen en maakte ze zichtbaar. Het raam was doorzichtig, zoals ramen zijn. En onbegrijpelijk. Het zicht was er nog. Weer. Het raam móest open. Voor hem. Voor de dingen. Zodat ze weer konden gebeuren. Dat had ze doordacht. Ze liet hem gaan, maar een ander kon ze niet meer binnenlaten. Ze bleef naar hem kijken, vanachter haar raam. Ze zag veel meer dan alleen zijn contouren. Ze zag hem zijn, gemakkelijk, gemoedelijk en vrij. En ze hoopte, ze hoopte dat hij de omgeving zag. Springen zou ze niet. Ze wist dat hij kon kijken. En haar zag. Het zicht, het zicht dat lag er nog. Als glas.
...
woensdag 6 april 2011
zondag 6 maart 2011
Like you
Eerst dacht ze dat het negeren was. Jaren dacht ze dat hij haar gewoon negeerde. Dat hij kwaad op haar was, dat ze niets goed deed in zijn ogen, dat ze de moeite niet waard was om opgemerkt te worden. Ze merkte dat hoe harder ze schreeuwde en hoe meer ze haar aanwezigheid kenbaar probeerde te maken, hoe meer hij haar negeerde. Ze zag de blik in zijn ogen, expres ergens anders op gericht, en ze zag zijn mond samentrekken tot een klein streepje. Dat was wanneer ze zeker wist dat het woede was. Het soort woede dat stilletjes kookte onder het oppervlak van zijn huid. Het soort woede waarvoor ze moest oppassen. De woede vlak voor een explosie. Op dat moment wist ze; ze had er nooit mogen zijn. Ze voelde het verwijt. Ze had zijn mannelijkheid en zijn vrijheid van hem afgenomen. Zijn toekomst. Zijn leven. Hij was geen man meer, maar een vader. Door haar zat hij vast en kon hij geen kant meer uit. Hij was als een vis in een te kleine kom geworden en hij hapte wanhopig naar zuurstof. Zij bleef maar tegen het glas tikken en haar vinger in het water steken om zijn aandacht te trekken. Ze bleef maar met haar gezicht voor het glas hangen, waardoor haar ogen levensgroot op hem afkwamen. Ze benauwden hem. Hij wendde zich van haar af. Dan wel.
Later zag ze dat het ontwijken was.
Ze zag hem ontwijken, net zoals zij geleerd had hem te ontwijken.
Later zag ze dat het ontwijken was.
Ze zag hem ontwijken, net zoals zij geleerd had hem te ontwijken.
woensdag 2 maart 2011
Sprokkelkop
Waar eens de bomen stonden
Met hun wortels diep
Verankerd en vol
Met hun takken
Stevig en sierlijk
Met hun bladeren
Groen en groot
Waar eens de bomen stonden
Bescherming boden
Belovend bos
Vol hoop
Daar
Waren nu machines bezig
Bulldozers boos
Boomstammen in pakketjes bijeen
Net als de verhuisdozen op de grond
Gewoel in de wind
De grond omver gespit
Tijd, alweer
Zo laat
Weg
Door de bomen
Het bos
Wanneer
Houdt het op
Het hout is op
...
Met hun wortels diep
Verankerd en vol
Met hun takken
Stevig en sierlijk
Met hun bladeren
Groen en groot
Waar eens de bomen stonden
Bescherming boden
Belovend bos
Vol hoop
Daar
Waren nu machines bezig
Bulldozers boos
Boomstammen in pakketjes bijeen
Net als de verhuisdozen op de grond
Gewoel in de wind
De grond omver gespit
Tijd, alweer
Zo laat
Weg
Door de bomen
Het bos
Wanneer
Houdt het op
Het hout is op
...
donderdag 24 februari 2011
Meisje
Het meisje zei, al na een dag, ik geloof dat ik jou wel mag.
Ik lachte schamper, wat wist zij nou, ik was niet zo van goeder trouw.
De tweede dag zei ze niet zoveel, en ik liet haar rustig zijn. Wie ze was.
Zo kon het verkeren, dat op de derde dag,
ze sprak tot mij: ik vergis me nooit, maar nu wel.
Ik begreep haar niet, en liet haar in haar waan.
Tot ze op mijn tenen was gaan staan.
Zeg dan wat, schreeuwden haar ogen mij toe.
En ik, ik wist niet wat.
Op de vierde dag, zei ik dat ik haar wel mocht.
Dat was te laat, zei ze nors. En dat ze me niet geloofde.
Ik kon geen moeite doen, ik wist niet hoe.
Mijn voeten waren groter dan haar tenen.
Toen had ik het voorgoed verknald.
Tot ziens, vaarwel. Het ga je goed.
Meisjelief,
de vijfde dag.
Ik lachte schamper, wat wist zij nou, ik was niet zo van goeder trouw.
De tweede dag zei ze niet zoveel, en ik liet haar rustig zijn. Wie ze was.
Zo kon het verkeren, dat op de derde dag,
ze sprak tot mij: ik vergis me nooit, maar nu wel.
Ik begreep haar niet, en liet haar in haar waan.
Tot ze op mijn tenen was gaan staan.
Zeg dan wat, schreeuwden haar ogen mij toe.
En ik, ik wist niet wat.
Op de vierde dag, zei ik dat ik haar wel mocht.
Dat was te laat, zei ze nors. En dat ze me niet geloofde.
Ik kon geen moeite doen, ik wist niet hoe.
Mijn voeten waren groter dan haar tenen.
Toen had ik het voorgoed verknald.
Tot ziens, vaarwel. Het ga je goed.
Meisjelief,
de vijfde dag.
donderdag 10 februari 2011
Een week
Weet je wat ze zei? Niet zoveel. Niets. Ze keek alleen maar naar me, en ik zou zeggen dat ze me riep, maar ze zei niets. Het waren haar ogen die schreeuwden, haar ogen die me naar haar toetrokken. Letterlijk. Het was alsof ik haar greep voelde. Haar handen die me bij mijn schouders pakten en naar zich toetrokken. Zacht dwingend. Ik kon zien dat ze zwanger was. Haar kleding strak over haar buik. Een fleurig tuniekje, met driehoekige patroontjes in donkerblauw en geel en rood en paars. En wit. Met scherpe punten. Het zou nog precies een week duren vanaf het moment dat ik haar zag. Precies een week. Dan zou het kind niet meer in haar buik zitten. Het werd een jongetje. Wie de vader was, deed er niet toe. Dit alles vertelde ze me niet, maar ze zei het met haar ogen. Ze keken me vermoeid aan, en lagen diep in hun kas. Toch glinsterden ze. Ze had de moed niet opgegeven. Ze was sterk, al zag ze er even niet zo uit. Haar haar was rood geverfd, oranje meer. Ze had het vastgebonden, maar het hing in slierten langs haar gezicht, een beetje verwilderd, alsof ze er al een bevalling op had zitten. Ik wist dat ik haar nooit naar de vader zou vragen. Dat had ze me al op het hart gedrukt, zonder iets te zeggen. Ik wist niet zeker of ze blij was dat ze zwanger was, het was meer een soort berusting. Ze zou met al haar kracht en liefde voor het kind zou zorgen tot het groot genoeg was om op eigen benen te staan. Blij kon ik me haar niet voorstellen, maar ongelukkig was ze ook niet. Ze zou altijd alleen blijven, alleen als moeder voor haar zoon. Geen vader, ook niet tijdelijk. Haar zoon zou geen vragen stellen, hij zou het weten, net als ik. Ze praatte over de mannen in mijn leven, alsof ze ze kende. Ze praatte zonder stem. Ik hoorde haar fluisterend, en soms stil. Haar ogen bleven roepen. Ze riepen me zo krachtig dat ik er geen weerstand aan kon bieden. Ze lag op een bank in een grote kille ruimte. Kil, qua aangezicht, maar het was er warm. Precies zoals zij. Ze was er om haar tijd uit te zitten, de week. En ik dus ook. Ze zag niemand, maar ze had haar herinneringen, en die van mij. Samen leefden ze en daar praatten we over. We gniffelden en voelden ons samen sterk. We lachten alle anderen uit, terwijl we van ze hielden, echt. Ik nestelde me aan haar zijde. Ze zagen ons. Het zou maar voor even zijn en niet echt. Net echt.
dinsdag 11 januari 2011
De longdrinkglazen
Ik weet nog dat ik van mijn oma zes zogeheten longdrinkglazen kreeg toen ik -vers van de middelbare school- op kamers ging. Ze had ze al een tijd in de kast liggen, zo verontschuldigde ze zich, maar ze zaten nog in de verpakking. Dit zei ze erbij om mij ervan te overtuigen dat ze nieuw waren en echt voor mij bestemd. Het klopte. De zes glazen zaten keurig op een rijtje tegen een karton gedrukt, met wat doorzichtig plastic eromheen gedrapeerd. Ik mocht ook nog wat bestek uitzoeken in haar reserve-la, als ik dit dan maar aan niemand vertelde, want ze kon niet aan iedereen bestek uit gaan delen. Nee, uiteraard. Het pact was gesloten.
De overhandiging van keukengerei vond plaats in de donkerbruine keuken van mijn oma, net nadat ik er de afwas had gedaan met mijn moeder. Het was zomer en we logeerden een nachtje op de boerderij, opa was kort daarvoor overleden en oma kon wel wat gezelschap gebruiken. Vrouwentafereeltje. Drie generaties. Bij mijn moeder kwamen de verhalen los over het keukengerei dat zíj toen ze destijds uit het ouderlijk huis vertrok had meegekregen. Weemoed en melancholie vierden hoogtij, om het gemis van wat er niet meer was, de heimwee naar toen, naast de spanning van het nieuwe avontuur dat op het punt stond zich te voltrekken, het leven dat verder ging.
Nu is het treurige, dat er van de zes longdrinkglazen (die overigens prachtig waren, beschilderd met bloemvormen tot de helft – tot iets daarboven schenk ik altijd het drinken – dat lijkt het mooist) nog maar drie over zijn. Eigenlijk twee. Ik ontdekte vandaag een gevaarlijke barst in nummer drie waardoor ik genoodzaakt ben deze weg te gooien. En dat vind ik jammer. Het geeft me een tijdsbesef. Niets blijft zoals het was. Of zoals het is. Sommige dingen gaan zelfs onmerkbaar voorbij. Want waar de overige drie glazen zijn gebleven, ik weet het niet…
De overhandiging van keukengerei vond plaats in de donkerbruine keuken van mijn oma, net nadat ik er de afwas had gedaan met mijn moeder. Het was zomer en we logeerden een nachtje op de boerderij, opa was kort daarvoor overleden en oma kon wel wat gezelschap gebruiken. Vrouwentafereeltje. Drie generaties. Bij mijn moeder kwamen de verhalen los over het keukengerei dat zíj toen ze destijds uit het ouderlijk huis vertrok had meegekregen. Weemoed en melancholie vierden hoogtij, om het gemis van wat er niet meer was, de heimwee naar toen, naast de spanning van het nieuwe avontuur dat op het punt stond zich te voltrekken, het leven dat verder ging.
Nu is het treurige, dat er van de zes longdrinkglazen (die overigens prachtig waren, beschilderd met bloemvormen tot de helft – tot iets daarboven schenk ik altijd het drinken – dat lijkt het mooist) nog maar drie over zijn. Eigenlijk twee. Ik ontdekte vandaag een gevaarlijke barst in nummer drie waardoor ik genoodzaakt ben deze weg te gooien. En dat vind ik jammer. Het geeft me een tijdsbesef. Niets blijft zoals het was. Of zoals het is. Sommige dingen gaan zelfs onmerkbaar voorbij. Want waar de overige drie glazen zijn gebleven, ik weet het niet…
De vlieg
Het moet een dag of vijf geleden zijn toen ik hem ineens ontdekte: mijn eigen vlieg. Dat ik hem mijn vlieg noem, komt enkel door het feit dat hij zich in mijn territorium bevond. In principe mag ik er dan alles mee doen wat ik wil. Hij is op mijn grondgebied, eigen schuld, dan had hij maar buiten moeten blijven. Ik snap sowieso niet waarom wat voor vliegend object dan ook de verleiding niet kan weerstaan door een open raam te vliegen. Buiten heeft het toch veel meer ruimte en loopt het veel minder gevaar? Dom. En het gaat me toch net iets te ver om vanwege die lieve beestjes mijn raam voor altijd dicht te laten. Ik moet toch ook aan mijn eigen gezondheid denken. Maar goed, ik dwaal af, mijn gezondheid staat hier niet op het spel. Die vlieg dus. De eerste dag zag ik hem nog dikwijls een stukje vliegen door mijn kamer - zoals het een ware vlieg betaamt. Ik besloot hem zijn gang te laten gaan - alsof ik geen andere dingen aan m'n hoofd had. Op dag twee heeft hij hoogstwaarschijnlijk ondergedoken gezeten, want heb ik hem niet gesignaleerd. Het is eigenlijk onduidelijk of dit aan mij of aan hem te wijten is, maar ik schuif graag de schuld op een ander af, en een vlieg is een makkelijk slachtoffer daar hij geen weerwoord heeft. Op dag drie zag ik hem lopen op de grond. Eigenaardig voor een vlieg, dacht ik nog. Dag vier zag ik hem over de vensterbank kruipen. Nu begon ik me daadwerkelijk zorgen te maken. Waarom vloog hij niet? Ik ging er met mijn neus boven hangen en observeerde hem gedurende enige minuten. Mijn diagnose: gebroken vleugel. Niets meer aan te doen, gewoon een rustig sterfbed gunnen. Ik had geen idee wat zijn laatste wens zou kunnen zijn, maar ik kon me heel goed voorstellen dat het rust zou zijn, dus ik heb mijn blik afgewend en ben verder gegaan met mijn leven buiten de vlieg. En toen kwam dag vijf. Tragische dag vijf. Ik zag hem liggen, morsdood. In verschillende stukken uiteen gesmeerd over mijn vloer. Gruwelijke aanblik. Ik was met het wieltje van mijn bureaustoel over hem heengereden... over mijn eigen vlieg..
maandag 10 januari 2011
Bitterzoet
“Je glinstert,” zei ze toen ik opkeek. Ze kuste het spoor van mijn tranen, vanaf mijn ogen, over mijn wangen, tot mijn kaaklijn. Zomaar. Vanzelfsprekend. “Zout?” vroeg ik, alsof het mijn eerste woordje was. Ze volgde een nieuwe traan die zich snel leek te willen verstoppen. “Ik ben niet zo zoet,” zoende ze mijn glimlach. Heel even twijfelde ik of ik haar goed verstaan had, maar ze zei het nog een keer. Ditmaal hield ze haar blik op me gericht. Een vinger die onder mijn kin streelde voorkwam dat ik mijn hoofd weer tussen mijn knieën zou verbergen. Ik moest wel naar haar blijven kijken. We zoenden. Lang. “Niet zo zoet.” Haar ogen kleurden licht. Ik zag een twinkeling. Lichtbruin, en haar gezicht, met de bijna doorzichtige huid, was omgeven door haar rode krullen.
We zaten nog steeds op de koude vloer in de keuken die niet zo koud meer was. Zeil. Ze was bij me neergehurkt. Haar lange lichtgrijze soepele vest hing tot op de grond, aan weerszijden naast haar. Ineens was ze terug geweest. Geen idee hoeveel tijd er was verstreken. Ik had haar niet weer binnen horen komen, verzonken als ik was in de echo die steeds dieper had geklonken. De echo van haar plotselinge vertrek.
Haar vingers speelden met de stof van mijn jurkje, met het zwart dat niet zo lelijk meer was. Ik hoorde haar zuchten. Ze leek ineens verlegen. Weifelend over wat haar te doen stond.
“Ik wil het nog steeds weten. Ik moet het weten, snap dat dan.” De betovering was verbroken.
Ik wilde haar van me af duwen en om me heen schoppen, tegen haar schreeuwen dat ze nooit meer terug hoefde te komen, dat ze gemeen was. Ik wilde de deur achter haar dicht smijten om de echo opnieuw te horen knallen - nu écht-, maar ik trok haar dichter tegen me aan. Ik zei niets.
...
We zaten nog steeds op de koude vloer in de keuken die niet zo koud meer was. Zeil. Ze was bij me neergehurkt. Haar lange lichtgrijze soepele vest hing tot op de grond, aan weerszijden naast haar. Ineens was ze terug geweest. Geen idee hoeveel tijd er was verstreken. Ik had haar niet weer binnen horen komen, verzonken als ik was in de echo die steeds dieper had geklonken. De echo van haar plotselinge vertrek.
Haar vingers speelden met de stof van mijn jurkje, met het zwart dat niet zo lelijk meer was. Ik hoorde haar zuchten. Ze leek ineens verlegen. Weifelend over wat haar te doen stond.
“Ik wil het nog steeds weten. Ik moet het weten, snap dat dan.” De betovering was verbroken.
Ik wilde haar van me af duwen en om me heen schoppen, tegen haar schreeuwen dat ze nooit meer terug hoefde te komen, dat ze gemeen was. Ik wilde de deur achter haar dicht smijten om de echo opnieuw te horen knallen - nu écht-, maar ik trok haar dichter tegen me aan. Ik zei niets.
...
Vloekvloed
Het water is het ergste niet
Maar de zee
De zee van alles
Overspoelt
Wat ooit nog te bevatten leek
En wanneer wordt het eb
Wanneer
Trekt ze terug
Of houdt ze stand
Erger nog
Vat land
De zee
Ze neemt je mee
Ze slokt je op
Tot alles
Niets meer is
Vloekvloed
...
Maar de zee
De zee van alles
Overspoelt
Wat ooit nog te bevatten leek
En wanneer wordt het eb
Wanneer
Trekt ze terug
Of houdt ze stand
Erger nog
Vat land
De zee
Ze neemt je mee
Ze slokt je op
Tot alles
Niets meer is
Vloekvloed
...
Abonneren op:
Posts (Atom)