Het was duidelijk hoe hij dacht over het verschil tussen hen. De woorden echoden na in haar hoofd. Hoe kon het dat hij haar zo zag? Kwam zij werkelijk zo over, of zat dat alleen in zijn hoofd? Had zij zelf bijgedragen aan dit beeld? In hoeverre was zij verantwoordelijk voor de manier waarop hij haar zag?
Natuurlijk, ze kon hard zijn. Vaker hadden mensen haar ervan beticht nogal zwart-wit te kunnen denken, zich zo althans te uiten. Het deel achter de komma vond ze nodig toe te voegen. Ze kon zich veel resoluter uitdrukken dan hoe de grijze ideeën in haar hoofd zweefden, maar ze deed dit heel bewust. Niet bij iedereen, niet altijd, maar bij hem wel, nu wel. Om tegenwicht te bieden. Om duidelijk te zijn. Om tot denken aan te zetten, wellicht. Ze wist precies wanneer ze haar mening liet gelden en wanneer niet. Ze deed dat niet bijzonder vaak, maar áls ze het deed, dan was dit stellig. Ze koos die momenten zorgvuldig. Niet altijd vond ze het nodig. Niet altijd waren de gevolgen even belangrijk. Niet altijd was het de energie waard. Niet altijd deed het ertoe. Niet echt. Over onbenullige zaken haalde ze haar schouders op. Ze kon onmogelijk strijden voor ieder detail in de wereld. Er waren genoeg zaken waar ze domweg de interesse niet voor op kon brengen. Dat nam ze zichzelf niet kwalijk.
Nu ging ze wél de strijd aan. Omdat hij het was die dit zei. Omdat hij een beeld van haar had waar ze zich onmogelijk in kon vinden. Ze had het geprobeerd, uit alle macht. Ze probeerde zich in te leven in hem. Ze probeerde door zijn ogen naar zichzelf te kijken, maar het lukte niet: ze zag niet wat hij zag. Ze kon zijn gedachtekronkel niet volgen. Ze begréép hem niet. Het was iets anders dan het oneens zijn met iemand. Fundamenteel anders. Ook als ze het oneens was met iemand, kon ze vaak nog wel begrijpen waarom iemand zo dacht. Dan wond ze zich er niet over op. Dat kon ze gauw genoeg loslaten, maar dit leek nergens op gebaseerd. Dit kon ze niet plaatsen. Had zij hem ooit aanleiding gegeven voor de gedachte die hij had over haar? Ze ging haar gangen na. Ze spitte in het verleden. Ze wilde haar beeld helder krijgen - zijn beeld.
Ze vroeg hem ernaar, natuurlijk, maar hij was meer het type dat standpunten en oordelen poneerde, zonder daar argumentatie aan toe te voegen. Hij kon beter schreeuwen dan praten. Hij was beter in monologen dan in dialogen. Ze vond geen ingang. Geen enkele. Alles wat ze had, was de echo in haar hoofd.
zaterdag 5 oktober 2013
zaterdag 28 september 2013
De troost
Als de klanken
van een piano
-een instrument!-
aangeslagen door
een oefenend kind
spelend nog
door de muren galmen
in een huis
- waar het verder stil is
geen beweging
geen geluid
geen stem
geen wereld
die er is -
vegen ze alle voorgrond
weg en stellen ze
gerust
al wat daarachter is.
Het spel dat
nergens van afhangt
en is, dat wint.
Altijd.
Naar het probeersel
wordt geluisterd
en dat is
de reinste soort
die alles heelt
wat nog niet ging
nog niet
niet echt.
Het is deze kunst
de enige die er is
die mij vindt
-bemoedigend-
en die
haar doel bereikt.
...
van een piano
-een instrument!-
aangeslagen door
een oefenend kind
spelend nog
door de muren galmen
in een huis
- waar het verder stil is
geen beweging
geen geluid
geen stem
geen wereld
die er is -
vegen ze alle voorgrond
weg en stellen ze
gerust
al wat daarachter is.
Het spel dat
nergens van afhangt
en is, dat wint.
Altijd.
Naar het probeersel
wordt geluisterd
en dat is
de reinste soort
die alles heelt
wat nog niet ging
nog niet
niet echt.
Het is deze kunst
de enige die er is
die mij vindt
-bemoedigend-
en die
haar doel bereikt.
...
woensdag 25 september 2013
Klankbord
De wind stond zo hard dat ze het gevoel had dat hij haar ene oor in blies, dwars door haar hoofd boorde, om er via haar andere oor weer uit te gaan. Ze stelde zich voor dat er midden in haar hoofd nu een lege strook ontstaan was. In haar hoofd zat nu Het Niets. Het deed bijna pijn zo hard als de wind ging. De leegte deed pijn, maar was gevuld met alles. Het was alles, wat de wind meebracht. Ze dacht dat de wind haar bewust wilde maken, bewust van wat er in haar hoofd was, en bewust van wat ze moest laten gaan. Ze zei dat allemaal en ze zag dat hij dacht dat het gebazel was. Ze zag ook dat hij haar desondanks liet praten en daardoor deed de leegte wat minder pijn.
Via de duinen liepen ze terug, schuilend voor de zeewind. "Kijk, een muur van groen," zei hij toen ze terug naar beneden liepen. Het was een beschermwal, dacht ze. Een beschermwal en een opslagplaats. Hier werd opgeslagen wat de wind meenam. Hier was het vol en 'veel aanwezig'. Ze zei dat ze zichzelf niet meer voelde en bazelde tegen hem aan. Ze vroeg wat hij net zei, want ze hoorde hem wel, maar ze luisterde niet. Hij was haar beste achtergrondgeluid en zij vormde zijn achtergrond. Alles wat ze dacht en wat er nog over was in haar hoofd, klonk beter als ze het tegen hem zei. Tegen ieder ander klonk het belachelijk. Hij zei minstens even belachelijke dingen. Achteraf lachten ze elkaar uit, maar op het moment waren ze heel serieus. Het was alsof ze iets stiekems deden. Het was hun gouden verbond.
"Jammer dat we via deze weg terug zijn gegaan," zei hij, en nu luisterde ze, "maar ik dacht dat het anders was." Ze beaamde dat je dan bedrogen uitkwam. "Zo dichtbij en zo ver weg," hoorde ze zichzelf nog bazelen. Even daarna was ze terug. Ze leunde tegen de beschermwal. "Ik ben ineens zó moe, ik ben helemaal door elkaar gewaaid en alles moet zijn plek weer vinden." Hij had het ook, maar bij hem was de boel juist weer op zijn plek gewaaid. Dat zei hij. Ze knikte. Ze wisselden elkaar af.
Via de duinen liepen ze terug, schuilend voor de zeewind. "Kijk, een muur van groen," zei hij toen ze terug naar beneden liepen. Het was een beschermwal, dacht ze. Een beschermwal en een opslagplaats. Hier werd opgeslagen wat de wind meenam. Hier was het vol en 'veel aanwezig'. Ze zei dat ze zichzelf niet meer voelde en bazelde tegen hem aan. Ze vroeg wat hij net zei, want ze hoorde hem wel, maar ze luisterde niet. Hij was haar beste achtergrondgeluid en zij vormde zijn achtergrond. Alles wat ze dacht en wat er nog over was in haar hoofd, klonk beter als ze het tegen hem zei. Tegen ieder ander klonk het belachelijk. Hij zei minstens even belachelijke dingen. Achteraf lachten ze elkaar uit, maar op het moment waren ze heel serieus. Het was alsof ze iets stiekems deden. Het was hun gouden verbond.
"Jammer dat we via deze weg terug zijn gegaan," zei hij, en nu luisterde ze, "maar ik dacht dat het anders was." Ze beaamde dat je dan bedrogen uitkwam. "Zo dichtbij en zo ver weg," hoorde ze zichzelf nog bazelen. Even daarna was ze terug. Ze leunde tegen de beschermwal. "Ik ben ineens zó moe, ik ben helemaal door elkaar gewaaid en alles moet zijn plek weer vinden." Hij had het ook, maar bij hem was de boel juist weer op zijn plek gewaaid. Dat zei hij. Ze knikte. Ze wisselden elkaar af.
zaterdag 21 september 2013
Grote wereld
Ze moest lachen. Haar glimlach veranderde steevast in een schaterlach, hoe meer hij zei. Zijn taal en zijn gebaren waren vurig. Hij verkondigde alles wat hij zei heel stellig en zijn hele lichaam deed mee met zijn verhaal. Ze kon zich niet voorstellen dat er ook maar één klein minuscuul stukje in zijn hoofd over was waar op dat moment plaats was voor iets anders. Als hij praatte -om het even waarover-, dan gooide hij alles in de strijd. Ze had soms moeite naar de inhoud van zijn verhaal te luisteren omdat de vorm al een verhaal op zich was. Wanneer de inhoud tot haar doordrong, volgde de schaterlach. Ze lachte niet alleen om zijn verhaal, maar ook om het besef dat ze zo verschillend waren en toch zo samen één.
"Jij bent echt zó anders dan ik!"
"Dat weet ik. Maar ik ken jouw type."
"En ik dat van jou..."
Vanaf de eerste blik voelde ze zich meer met hem verbonden dan ze zich ooit gevoeld had met welk ander mens dan ook. Blijkbaar kon dat. Blijkbaar had Moeder Aarde, of Het Lot, of God, of wie of wat dan ook die of dat daarover ging, besloten dat dat kon. De verwondering daarover bracht haar in extase.
"Het is grappig om jou te horen praten."
"Je lacht me gewoon uit."
"Soms. Maar nu vond ik het gewoon mooi."
"Ik kan me niet voorstellen te denken zoals jij denkt, maar ik begrijp het wel."
"Het maakt onze wereld best groot."
"Ja."
"Jij bent echt zó anders dan ik!"
"Dat weet ik. Maar ik ken jouw type."
"En ik dat van jou..."
Vanaf de eerste blik voelde ze zich meer met hem verbonden dan ze zich ooit gevoeld had met welk ander mens dan ook. Blijkbaar kon dat. Blijkbaar had Moeder Aarde, of Het Lot, of God, of wie of wat dan ook die of dat daarover ging, besloten dat dat kon. De verwondering daarover bracht haar in extase.
"Het is grappig om jou te horen praten."
"Je lacht me gewoon uit."
"Soms. Maar nu vond ik het gewoon mooi."
"Ik kan me niet voorstellen te denken zoals jij denkt, maar ik begrijp het wel."
"Het maakt onze wereld best groot."
"Ja."
donderdag 19 september 2013
Onder ons
Blijf je bij me als het weer het toestaat en weer toeslaat als een klok aan de wand?
Blijf je bij me tot aan de groene muren, bodemloze bergen met een zachte zorgenziel?
Blijf je me vertellen wat je ziet en zeg je het met woorden die ik hoor?
Blijf je tot aan de wanden van ons bestaan, met mos begroeid en gras van raam?
Blijf je bij me tot het plafond doorbreekt, waar de regen nooit genas?
Blijf je me vertellen hoe het uitzicht voelt en zeg je het als ik het zie?
Blijf je bij me tot het licht de golven raakt, het grijs grijnst als glas?
Blijf je tot de schuimkoppen dreigen en overspoelen, smakeloos gesmak?
Blijf je tot het vuil het land verpest en blijf je wijzen waar het lag?
Blijf je tot de aarde geen voetstappen meer kent, als onbestemd herinneringshelal?
Blijf je bij me tot de hemel hoog is, en weggespoeld als dwaze wens van as?
Blijf je weten wie ik was?
Blijf je dan nog even bij me, wachten tot het over is wat ik bedoel?
Blijf je dan nog even samen rennen omdat dat is wat we doen en deden, mouw aan mouw?
Het blijft ons onderonsje,
op een bankje in de zonnekou.
...
Blijf je bij me tot aan de groene muren, bodemloze bergen met een zachte zorgenziel?
Blijf je me vertellen wat je ziet en zeg je het met woorden die ik hoor?
Blijf je tot aan de wanden van ons bestaan, met mos begroeid en gras van raam?
Blijf je bij me tot het plafond doorbreekt, waar de regen nooit genas?
Blijf je me vertellen hoe het uitzicht voelt en zeg je het als ik het zie?
Blijf je bij me tot het licht de golven raakt, het grijs grijnst als glas?
Blijf je tot de schuimkoppen dreigen en overspoelen, smakeloos gesmak?
Blijf je tot het vuil het land verpest en blijf je wijzen waar het lag?
Blijf je tot de aarde geen voetstappen meer kent, als onbestemd herinneringshelal?
Blijf je bij me tot de hemel hoog is, en weggespoeld als dwaze wens van as?
Blijf je weten wie ik was?
Blijf je dan nog even bij me, wachten tot het over is wat ik bedoel?
Blijf je dan nog even samen rennen omdat dat is wat we doen en deden, mouw aan mouw?
Het blijft ons onderonsje,
op een bankje in de zonnekou.
...
maandag 9 september 2013
Gelaagde geste
Het was een geste van vriendelijkheid, ik kan hier
onmogelijk zeggen: gebaar. ‘Geste’ is een woord dat beter de lading dekt. Wie
het verschil met mij ziet, begrijpt wat ik bedoel. Gebaar is hard en koud en
koel, hoe vriendelijk ook bedoeld, maar een geste is van de grootste warmte
denkbaar, als deze vriendelijk is –en dat is hij altijd. Het woord dreunt al
een paar dagen door mijn hoofd: geste. Ik weet niet hoe het erin kwam en ik kan
me niet herinneren wanneer ik ooit voor het eerst van het bestaan van dit woord
afwist. Ik lieg, maar ik wil het niet delen (ik lijk misschien open, maar dat
ben ik niet). Ik weet wel dat ik er onmiddellijk van hield. Met sommige woorden
heb ik dat. Nu was het een associatie toen iemand tegen me sprak. Ik krijg soms
de vreemdste associaties wanneer mensen tegen me praten. Een blik, een houding,
een onhandigheid of een bedoeling. Een pluk haar voor een gezicht of een loensend
oog, een scheve tand of een kloddertje speeksel in een mondhoek. Het is
moeilijk te luisteren naar wat mensen zeggen, omdat er zoveel is dat kan
afleiden. Al deze afleidingen zijn te associëren met woorden.
Ik droom in woorden. Ik zie wel beelden als ik droom, zoals
we allemaal doen veronderstel ik –nooit heb ik een ander er expliciet naar gevraagd- ,
maar als een droom belangrijk is, dan gaat hij altijd gepaard met een woord. Ik
zie dan in mijn droom letterlijk een woord, dit kan gedrukt staan of
geschreven, knipperend of gewoon aan de rand van het droombeeld constant
aanwezig zijn. Wanneer ik ontwaak vervagen de beelden –langzaam maar zeker altijd-,
maar zo’n woord kan nog dagen of weken door mijn hoofd spoken, in de exacte vorm
van het beeld waarin ik het geschreven zag staan in mijn droom. Ik weet zeker
dat zo’n woord me iets wil vertellen en dat ik er wat mee moet. Woorden
schreeuwen altijd naar me in mijn droom. Ze vragen de aandacht. Ik zou zo een
lijstje kunnen geven van woorden die ik gedroomd heb, maar zo ver wil ik niet
gaan.
Geste heb ik niet gedroomd, al zou je dat nu misschien
verwachten. Geste kwam op klaarlichte dag tot me. Het dwarrelde zomaar vanuit
de lucht mijn geest in, terwijl er iemand tegen me sprak. Geste van
vriendelijkheid. Er sprak niet echt iemand tegen me, maar het was de
herinnering aan een gesprek. Het was niet voor het eerst dat ik dit woord ‘hoorde’,
maar het had een lange reis afgelegd. Het lag ver verborgen in mijn
woordenkabinet, omdat er lange tijd geen afleidingen waren geweest die de
associatie van dit woord met zich meebrachten. Juist dat laatste maakte dat niet
alleen de afleiding, maar zelfs het woord van een onnavolgbare vriendelijkheid
werd. Een vriendelijk woord kan slechts vriendelijke zaken omschrijven en
herinneringen zijn altijd vriendelijker dan de werkelijkheid waaraan ze
herinneren. Herinneringen zijn net dromen. Bij herinneringen heb ik het ook:
woorden.
Woorden die ik gedroomd of herinnerd heb, onthoud ik. Ik
onthoud ze, tot ik ontdek waarom, en dan koester ik ze.
...
zondag 8 september 2013
Verontschuldigend schuilen
“Ik hoor het aan je,” zei hij, “je praat
veel harder dan vroeger. Niet zo voorzichtig meer, alsof je kan breken bij het
horen van je eigen stemgeluid. Je klonk altijd verontschuldigend.” Hij klonk niet beschuldigend. Zij moest
lachen. “Het komt door de omgeving,” zei ze. “Die is zo hard dat ik wel moet.
Ik moet schreeuwen om verstaanbaar te blijven. Je wil zeker zeggen dat ik
fragiel was?” Ze riep haar woorden nu expres tegen de wind in. Hij lachte. Hij
lachte om haar bescheidenheid die vals was, maar van de oprechtste soort. Ze
speelde met haar eigenschappen, maar hij hoorde de omgeving niet. De omgeving
was niet hard. Zij was het. Zij was zo duidelijk aanwezig dat alles om haar
heen verstomde, hoewel de wind alleen haar omver kon blazen. Iets kleins kon
genoeg zijn om haar van de wereld te blazen. Daar had hij ooit één glimp van
opgevangen. Niets was er van haar over. Achter iets kleins ging altijd iets
groots schuil. Sindsdien zag hij haar overal. En ze was hard, hard in al haar
verschijningsvormen, behalve in het echt. Nu zag hij haar steeds vaker terug
zoals hij haar kende. Hij hield van haar zoals zij zich aan haar omgeving
aanpaste als water. Hij hield van haar ongrijpbare aard. Zijn handen waren
leeg.
“Ik hoor aan jou dat je veranderd bent.” Hij zei het nog een
keer, om haar te laten horen wat hij zei. “Verandering bestaat niet,” zei ze. “Dat
is alsof er goed en kwaad bestaat en alsof je van het één naar het ander kan
gaan. Of van jong naar oud. Tegenstellingen zijn de grootste onzin ooit bedacht
en van een naam voorzien.” Ze bleven even stil staan, om zich van hun plaats te
verzekeren. “Ik blijf altijd wie ik ben, ik kies alleen steeds een ander,”
besloot ze. Hij duwde haar vooruit terwijl hij het zei: “Ik hoor je.” En nog
een keer, zachter: “Ik hoor je.” Dat wist ze en daarom durfde ze. In haar hoofd
repeteerde ze alles eerst voor hem. Hij was haar onzichtbare zeil in de wind. “Als
je stopt met praten, gaat het in mijn hoofd nog door,” zei hij, “de
woordenstroom gaat verder in mijn hoofd, tot hij wegebt omdat ik er te lang
naar heb geluisterd en niet meer weet hoe het begon.” Ze verklaarde hem voor gek dat hij naar haar luisterde.
Er was niets wezenlijks dat zij te melden had. Ze snapte wel waarom hij altijd
zo laat reageerde. In zijn hoofd was het nog niet stil. Zijn hart was vol. Ze
priemde met een vinger in zijn borst. “Ik prik een gaatje in je hart.” Ze kon
hem vangen en bevrijden.
...
...
woensdag 17 juli 2013
De oceaan
Haar kamer was de oceaan. Haar bed het schip. De stoel een eiland, het kussen op de grond een haai. De muren, wit behangen, waren hoge golven. De planken aan de muur andere schepen, vijandig wel misschien. Ze mocht de grond niet raken, want dat zou de verdrinkingsdood betekenen. De haai lag op de loer.
De deur stond open en vanaf de drempel was ze veilig. Om buiten de kamer te raken, moest ze vanaf het voeteneind van haar bed een spagaatsprong maken. Ze kon het, maar het bleef spannend, steeds opnieuw. Haar hart klopte in haar keel. De overloop, die zich achter de drempel bevond, was veilig land voor even.
Vanuit het raam, direct achter het hoofdeinde van haar bed, had ze een vergezicht. Alleen maar blauw, alleen maar zee, oneindig lang, oneindig ver. Het raam hield ze dicht, de kamer was al groot genoeg, al was hij klein. Het raam openen was gevaarlijk bovendien, uit het raam kon je vallen. De vensterbank was van kunststof, wit. De planken aan de muur leken te bewegen, ze kwamen op haar af. Er zaten poppen op. Grote kraalogen keken haar aan. Midden op haar schip was ze zichtbaar en vogelvrij. Het dekbed over haar heen bood niet genoeg bescherming meer. Wapens had ze niet, dus ze moest verstoppen, verdwijnen, weg.
Als ze dichtbij het voeteneind aan de rechterkant op de rand van haar bed ging staan, kon ze de deur van de kledingkast aanraken. De kledingkast was wit, alweer. Er zaten schuifdeuren in. Rechts was het gedeelte met planken, en er lagen stapeltjes kleren. De linkerschuifdeur gaf toegang tot het hanggedeelte. Er hingen kleren, maar die raakten niet de grond, de bodem van de kast. Vanaf het bed kon ze met een grote stap onderin het linkerdeel van de kast belanden. De deur ging gemakkelijk open, te schuiven vanaf het bed. Dan moest ze alleen nog zorgen dat ze tussen het bed en de kast de grond niet raakte. Het lukte. Ze trotseerde het water.
Eenmaal in de kast ging ze zitten met haar rug tegen de achterwand van de kast. Haar benen trok ze op, tot haar knieën haar neus bijna raakten. Eén arm stak ze vooruit om van binnenuit de kastdeur weer dicht te schuiven. Dan werd het donker, kledingstukken om haar hoofd. Ze sloeg haar armen om haar knieën. Niemand kon haar hier vinden. Ze giechelde. Ze was iedereen te slim af geweest. Stil. Verstopt, verdwenen, weg.
De deur stond open en vanaf de drempel was ze veilig. Om buiten de kamer te raken, moest ze vanaf het voeteneind van haar bed een spagaatsprong maken. Ze kon het, maar het bleef spannend, steeds opnieuw. Haar hart klopte in haar keel. De overloop, die zich achter de drempel bevond, was veilig land voor even.
Vanuit het raam, direct achter het hoofdeinde van haar bed, had ze een vergezicht. Alleen maar blauw, alleen maar zee, oneindig lang, oneindig ver. Het raam hield ze dicht, de kamer was al groot genoeg, al was hij klein. Het raam openen was gevaarlijk bovendien, uit het raam kon je vallen. De vensterbank was van kunststof, wit. De planken aan de muur leken te bewegen, ze kwamen op haar af. Er zaten poppen op. Grote kraalogen keken haar aan. Midden op haar schip was ze zichtbaar en vogelvrij. Het dekbed over haar heen bood niet genoeg bescherming meer. Wapens had ze niet, dus ze moest verstoppen, verdwijnen, weg.
Als ze dichtbij het voeteneind aan de rechterkant op de rand van haar bed ging staan, kon ze de deur van de kledingkast aanraken. De kledingkast was wit, alweer. Er zaten schuifdeuren in. Rechts was het gedeelte met planken, en er lagen stapeltjes kleren. De linkerschuifdeur gaf toegang tot het hanggedeelte. Er hingen kleren, maar die raakten niet de grond, de bodem van de kast. Vanaf het bed kon ze met een grote stap onderin het linkerdeel van de kast belanden. De deur ging gemakkelijk open, te schuiven vanaf het bed. Dan moest ze alleen nog zorgen dat ze tussen het bed en de kast de grond niet raakte. Het lukte. Ze trotseerde het water.
Eenmaal in de kast ging ze zitten met haar rug tegen de achterwand van de kast. Haar benen trok ze op, tot haar knieën haar neus bijna raakten. Eén arm stak ze vooruit om van binnenuit de kastdeur weer dicht te schuiven. Dan werd het donker, kledingstukken om haar hoofd. Ze sloeg haar armen om haar knieën. Niemand kon haar hier vinden. Ze giechelde. Ze was iedereen te slim af geweest. Stil. Verstopt, verdwenen, weg.
woensdag 3 juli 2013
Een vers van was
Ik hou van de geur
van geluk?
zou hij vragen
Nee, jawel,
maar dat bedoel ik niet,
niet nu.
van verse was.
Kledingstukken
in kleuren
rozeblauw
tot zacht.
Kledingstukken,
lappen stof
en lakens,
die de lauwe
laaghangende lucht
in de ruimte -doorleefd-
in zich opnemen
om verse lucht
- vol levenslust -
uit te ademen
de kamer in.
En buiten is het anders.
De kamer krijgt nieuw leven.
De kamer niet alleen.
De wereld wordt herinnerd
aan al wat komen gaat.
Kledingstukken die gaan
gebeuren -nog onbekend-
Avontuur dat nodigt
uit. De bloemen
in het veld. Ik zie ze
wapperen, vanbinnen.
Ik hou van de geur,
van verse was.
En ook van geluk.
van geluk?
zou hij vragen
Nee, jawel,
maar dat bedoel ik niet,
niet nu.
van verse was.
Kledingstukken
in kleuren
rozeblauw
tot zacht.
Kledingstukken,
lappen stof
en lakens,
die de lauwe
laaghangende lucht
in de ruimte -doorleefd-
in zich opnemen
om verse lucht
- vol levenslust -
uit te ademen
de kamer in.
En buiten is het anders.
De kamer krijgt nieuw leven.
De kamer niet alleen.
De wereld wordt herinnerd
aan al wat komen gaat.
Kledingstukken die gaan
gebeuren -nog onbekend-
Avontuur dat nodigt
uit. De bloemen
in het veld. Ik zie ze
wapperen, vanbinnen.
Ik hou van de geur,
van verse was.
En ook van geluk.
Abonneren op:
Posts (Atom)