zondag 2 januari 2011

Onheil

Ineens. Ineens dook hij overal op. Hij zei nooit wat. Ze wist niet eens of hij wel kon praten. Maar hij keek haar altijd strak aan. Indringend. Ze was ervan overtuigd dat hij haar achtervolgde. Hij moest wat van haar en zij moest erachter zien te komen wat het was. Koste wat het kost. Ze voelde dat het belangrijk was. De plaatsen waar hij opdook waren willekeurig, ze moest er altijd op bedacht zijn. Het kon altijd gebeuren, overal. Ze werd zenuwachtig van zijn aanwezigheid en als ze op straat liep, moest ze constant omkijken. In openbare ruimtes moest ze alle gezichten scannen, want hij zou er zomaar tussen kunnen zitten. Het was doodvermoeiend. Iedereen zou bovendien wel in zijn complot kunnen zitten. Hij kon wel mensen voor hem hebben ingezet. Om haar te slim af te zijn. Maar zo dom was ze niet. Ze zou wel opletten.

Ze dacht al te weten hoe hij heette. Hij moest ergens op een lijst staan. Mensen met een naam zijn vindbaar, daar kun je tegenwoordig alle mogelijke middelen voor inzetten, te beginnen op het internet. Hij moest opvallen, hij zou een keer de fout ingaan. Ze snapte niet dat de rest van de wereld er zo kalm onder bleef. Ze snapte niet hoe mensen rustig konden zitten eten in een restaurant, of hoe mensen op een zaterdagmiddag door de stad konden slenteren.

Hij intrigeerde haar, hij trok haar aan en hij stootte haar af. Hij schrikte haar af. Hij zocht toenadering. Te veel. Hij kroop soms zomaar bij haar op schoot, op ongelegen momenten. Ze schaamde zich voor zijn gedrag, want anderen zouden het ook zien. Ze zouden haar erom veroordelen. Ze probeerde tegen hem te praten, maar dat leek onmogelijk. Haar woorden naar hem werden geluidloos zodra ze haar mond verlieten. Het was te gevaarlijk. Bovendien hoorde hij haar niet. Hij antwoordde nooit. Hij keek alleen maar. Hij keek en hij drong bij haar binnen. Hij was het sterkst, maar hij was niet alleen. Ze kon de rest er niet bij hebben, dus probeerde ze hem tevreden te houden. Hem kon ze nog wel aan. Als het daar maar bij bleef.

Soms was hij een tijd weg. Dan voelde ze zich sterk, maar als ze hem bijna vergeten was, zou hij terugkomen. Het was als een benauwde zomerdag waarop het onweer ieder moment kon losbarsten. Onheilspellend. Zo was hij. Ze moest hem aandacht blijven schenken. Hij leidde haar af en hij speelde. Ze had hem nodig, maar ze moest van hem af. Zijn invloed was te groot. Ze moest zich concentreren. Hij dreef haar tot wanhoop, maar ze zou hem leren accepteren. Daarmee zou ze hem aftroeven. Dat was haar enige kans.

Eigenlijk was hij er altijd al geweest.. ze herkende hem. Van toen.
Ze was zo moe.

Geen opmerkingen:

Een reactie plaatsen