zondag 9 januari 2011

Zwemles

Het gebouw was oud en stond er verlaten bij. De parkeerplaats ervoor groot en leeg. Uitstappen en je rugtas met je mee zeulen. Donker verregende bakstenen omhulden het hol. Groene hekken bij de ingang. Doorlopen. Kwam mama nog achter je aan? De kleedhokjes klein en kil. Donkerhouten bankjes die voor de deuren klapten om ze gesloten te houden. Snel kleren uit, badpak aan, het deurtje open duwen en op blote voeten de gele tegeltjes over naar het bad. Voorzichtige kleine stapjes, tegenzin, maar haastig. Laat. Je had getreuzeld, eigen schuld. Het was niet gelukt om het lang genoeg te rekken zodat het geen zin meer had om te gaan. Een zwaai vanachter het matte glas, ze kwam je straks weer halen.

Benauwde chloorlucht en de bulderende stem van de badmeester verwelkomden je. Geniepig keek hij vanachter zijn bril op je neer. Als hij praatte ging zijn donkere snor op en neer. Benen groot en sterk op jouw ooghoogte. “Ja, in het water maar!” en hup daar schoof je het pierenbad in. Er waren nog twee andere kinderen, de rest zat al in het diepe bij de juf. Er kwam veel gegil, gelach en gespetter vandaan. Algauw verdween dat geroezemoes naar de achtergrond. Ver weg. Je moest je hoofd boven water zien te houden. Op je rug met je handen op de bodem door het water bewegen. Met ieder geluid dat vanonder de snor van de badmeester door de ruimte echoode, golfde er water over je gezicht. Hoesten. Hij liep met grote passen heen en weer langs de rand, af en toe wat over zijn schouder roepend naar de kinderen in het diepe. Hard lachend. Je hield je blik op hem gericht. Hij bulderde een volgende opdracht en keek weer weg. Je probeerde aansluiting te vinden bij de andere twee, maar die waren samen in gesprek, deden rustig aan. Je kon de klok niet zien vanaf hier. Zou de les al bijna voorbij zijn?

“Ja! Je bent er nu wel klaar voor. Kom op, het diepe in,” en hij wenkte je met zijn hand terwijl hij je strak aankeek. Het water weerspiegelde in de brillenglazen. Je deinsde achteruit tot de rand. “Ik?” “Ja, tegen wie heb ik het anders?!” Je keek naar de andere twee, maar die maakten geen aanstalten en poedelden nog wat rond. Het water golfde. De deiningen duurden eindeloos, nergens kon je een stil stukje ontdekken. Ineens stond hij voor je, een band met bruine ovale vormen voor je neus slingerend. Die moest je om je buik doen zodat je niet zou zinken. Er hingen ook grote groene stokken met een ring aan het eind. “Nou, komt er nog wat van of moet ik je een handje helpen?”

“Ik wil nog niet.”

Hij zuchtte en schudde zijn hoofd terwijl hij je uit het water tilde. Terwijl je met je benen spartelde om je uit zijn greep te bevrijden -wat natuurlijk geen enkele zin had- droeg hij je naar het diepe bad. “Daar gaan we!” en hij slingerde je erin. Huilend en luid proestend kwam je weer boven. Paniek. Hij stond te lachen terwijl je naar de rand van het bad greep. Vanuit je ooghoek zag je de juf aan komen rennen. Ze gebaarde naar hem en keek kwaad. Ze hielp je uit het water en liep met je weg. Je werd het kleedhokje weer ingestuurd. Je klapte hard met het bankje. Je zou nooit meer gaan. Zwemmen was stom.

Geen opmerkingen:

Een reactie plaatsen